Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontkleuring der haren kan slechts in de werkzaamheid der cellen liegen, die de inergzelfstandigheidszamenstellen. Door congestie en exsudaat, als ook door toestanden, die met eene beperkte circulatie in de matrix gepaard gaan, sterft het haar af, even als dit bij de opperhuid onder gelijke omstandigheden plaats heeft, en valt uit. Bij de opperhuid werd gewag gemaakt van eenen atrophischen toestand, waarin zij , ten gevolge van eene niet toereikende voeding door de cutis, hare typische dikte niet bereikte, en daarom van buiten steeds vervelde en telkens op nieuw gevormd werd; iets soortgelijks schijnt bij de haren voor te komen, daar de fijne ligchaamshaartjes, zoo als door E. II. YV eber(I) werd waargenomen, soms aan de punt ontkleurd worden, zich verdunnen en onder haar afbreken.

Het eerste spoor van haren schijnt volgens Valentin (2) tegen het einde der derde of in het begin en het midden der vierde maand voor te komen. Het zijn aanvankelijk ronde, zwarte vlekken, die zich tegen het einde der vijfde maand in piramide- en konische vormen veranderen. Zij liggen nog volstrekt onder de epidermis, en wel scheef van onderen naar boven gekeerd. Door drukking kan men de pigmeptdeeltjes (de haarknop?j uiteen dringen, en inliet midden komt alsdan de schacht tevoorschijn van ongeveer0,0004"' doormeting. Aan het einde der vijfde maand komen de haren buiten de huid te voorschijn. Omstreeks dezen tijd vond Va i, en tin ze aan alle ligchaamsdeelen gelijkmatig ontwikkeld. Volgens Esciiriciit (5) breken het eerst de haren aan de wenkbraauwen en om den mond door, en zijn deze in het midden der vijfde maand langer dan de overige. Eerst aan het einde der zesde maand zou het geheele ligchaam met haren bezet zijn, die men om hunne fijnheid en weekheid wolharen noemt. Zij vallen in de volgende maanden weder uit, worden met het vruchtwater voor een gedeelte doorgeslikt en met het meconiutn weder ontlast. Na de geboorte vallen niet alleen de wolharen van het ligchaam uit, maar dikwijls ook de hoofdharen, en komen er nieuwe voor in de plaats. Misschien heeft er gedurende het geheele leven eene langzame regeneratie

(t) Meckel's Arcbiv 1827, S. 222.

(2) Eiilwickelungs«escliichte, S. 275.

(3) Müller's Archiv 1S37, S. 40.

Sluiten