Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der haren plaats, die slechts op zekere periode meer in het oog loopt; er vallen ten minste aan vele ligchaamsdeelen voortdurend eenige haren uit, en steeds ziet inen aan de behaarde ligchaamsdeelen kortere en langere haren ondereen gemengd en nieuwe haren onder de opperhuid liggen, zonder dat toch de hoeveelheid haar, van eenen zekeren leeftijd af aan, merkbaar toeneemt. Door beschouwing van de bij volwassenen nakomende haren wordt het ook waarschijnlijk, dat de haren zich in geslotene zakken vormen; want vóór dat zij buiten de huid te voorschijn treden, zijn zij ondei de opperhuidlaag spiraalvormig opgewonden en komen eerst dan plotseling uit, wanneer het bedeksel, dat de opperhuid vormt, wordt afgekrabd, of ook wel door de normale vervelling wordt verwijderd. Evenwel schijnt er eene inbuiging der huid naar den haai zak toe te groeijen ; want men ziet in embryonen zulke inbuigingen nog eer de punt van het haar de opperhuid bereikt heeft (1).

(1) riEDsmcER (Mecrel's Archiv, VIII, 44) zegt, dat de eerste liaarkicmen onder de huid m liet re te Malpighii ontstaan, en dat hunne wortels eerst later in liet met vet gevulde onderhuidscelweefsel worden gevonden. Dit kan wel het geval zijn, daar zich eerst later de homogene massa in cutis en vetweefselscheidt, doch mag in geen geval zóó worden opgevat, alsof eerst de schacht en eerst daarna de wortel gevormd werd.

MiiUER's Archiv, 1841, Ileft IV, S. 361, hevat een opstel van G. SlMON over de ontwikkeling der haren. De haarzakjes vertoonden zich eerst als lichte of donkere ligchaampjes van 0,0005-0,0089' lengte, en op de l.reedste plaats 0.0035—0,0040* breedte, hij zwijnen-cmbryonen van 2' lengte. Hunne wanden zouden uit kleine, digt bijeenliggende korreltjes, waarschijnlijk de kernen van elementaire cellen, bestaan, en in de zwarte stervormige pigmentcellen daartusschen worden gevonden. Als de vorming van het haar begon, vertoonde er zich in de zakjes eene digte massa van pigmentcellen, welke met die van het re te l\Ialpiyhii veel overeenkomst bezitten, van den vorm des haarwortels; deze loopt m eene fijne, merglooze punt uit, en het schijnt alzoo, dat het pasgevormde haar reeds alle deelen van het geheel bezit, en de schacht slechts betrekkelijk zeer klem is. In haarzakken zonder pigment overtreksel, waarin zich steeds blondo haren vormen, zag Simon slechts de haarpunten en geene wortels. De punt scheen zich naar onderen in fijne vezels uit te breiden. Waarschijnlijk bestond echter ook hier de wortel, en was zij slechts, wegens het gemis van zwart pigment, moeijelijker te herkennen. Voor dat zij naar buiten komen, krommen zich de haren in lissen, zoodat de punt naar den wortel toegekeerd is, of spiraalvormig; daardoor schijnt bewezen te zijn, hetgeen SlMON niet uitdrukkelijk vermeldt^ namelijk dat de haarzakken aanvankelijk gesloten zijn. De wortelscheede ontstaat gelijktijdig met het haar.

28

Sluiten