Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats te grijpen, zoo als men aan likteekens na aanmerkelijk verlies van huidzelfstandigheid kan opmerken.

Uitgetrokkene haren laten zich, zoo als uit de proeven van Dieffenbach (1) en Wieseman (2) blijkt, op andere huidplaatsen overplanten en groeijen op die plaats vast; of zij zich echter met de in den omtrek gelegene deelen organisch verbinden, is nog niet uitgemaakt.

Wij dragen geene kennis van de oorzaken, die de voorwaarde

^oor het groeijen der haren uitmaken, noch van hunne verrigtin-

gen. Ten opzigte van het laatste kan men slechts zeggen, dat zij,

als slechte geleiders der warmte, het ligchaatn tegen den invloed

der afwisselende temperatuur beveiligen. Debetrekking, waarin het

te voorschijn komen der haren op zekere ligchaamsplaatsen tot de

ontwikkeling der geslachtsverrigtingen staat, is bekend. De kleur

der haren staat in eene zekere betrekking tot de kleur der huid en

tot de ontwikkeling van het pigment in andere gekleurde deelen,

b. v. in het oog. Kakkerlakken hebben geheel en al lichtgele of witte haren. °

Over de verschillende vormen der haren bij de dieren vergelijke men IIeüsinger, Histologie, S. 17S, Eble, von den Haaren, I. 65. Bij de zoogdieren komen zij gedeeltelijk met die der menschen overeen, gedeeltelijk zijn zij slechts onderscheiden door hunne dikte, zoo als de baardharen der verscheurende en knaagdieren, de manen en staartharen der paarden, de borstels der zwijnen, enz. Aan deze haren wordt ook het maaksel bij voorkeur bestudeerd. Hier laat zich de pulpa met hare vaten gemakkelijk in de holte van den wortel vervolgen, en ook hare zenuwen werden door Eble (II, 15) bij de kat, door Rapp ( \ cm ch tangen des fünften Nervenpaares, S. 15) bij robben, den walrus', het stekelvarken en vele andere dieren, door Gerber {Allg. Anat. S. 79) bij het zwijn gepraepareerd. De zenuwen der spoorbaren zijn volgens Rapp en Mavo (Anat. Comment. N°. II, p. ol) takken van den IV. trigeminus. In de spoorharen gaat

(1) Aomb. de regeneralionc et trunsplantatione, Herhip. 1822.

(2) De eoalitu partium, I.ips. 1824, 4. p. 33.

25*

Sluiten