Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de liaren uit overlangs liggende vezelen heslaan. Binnen in den zak van sterke baardharen zou somtijds eene roodachtige vloeistof, in den zak der oogharen zwarte kleurstof hevat zijn.

In 1831 verscheen Eble's Monographie [Die Lelire von den Haaren), waarin niet alleen alles, wat op de haren betrekking heeft, met de grootste naauwkeurigheid is bijeengebragt, maar ook de organisatie der haren, volgens eigene onderzoekingen , beter dan vroeger is opgegeven. De dwarsdraden tusschen de doorschijnende, zultachtige en verschillend rood gekleurde massa, rondom den wortel der grootere haren van dieren (wortelscheede) en van de binnenste oppervlakte van den haarzak, houdt hij voor vaten, waaruit zich bij het afsnijden een dun vloeibaar bloed uitstort. Ilij heeft bij de kat zoowel deze zelfstandigheid als de pulpa opgespoten. De bloederige vloeistof, welke volgens de opvatting van vroegere waarnemers zich vrij in de opgegevene tusschenruimten zou bevinden, zou alleen uit de doorgesnedene vaten komen, welke van den binnensten wand van den zak naar het conisch ligehaam gaan (I, G5). Deze zou van binnen met een lijn, glad vlies overtrokken zijn, dat de haarschacht onmiddellijk omgeeft. Waarschijnlijk zou het haar uit dit ligehaam ontstaan, dat zelf weder door het binnenste vlies van den zak zou worden afgescheiden (en toch vaten van hetzelve verkrijgt?). Hier wordt onder wortel of bol de haarknop verstaan. Eble's beschrijving der borstels komt met die van Malïighi overeen; het mergkanaal zou zich echter naar boven in even zoo vele takken verdeden, als de borstel afzonderlijke punten heeft (I, 169). Aan de menschenharen vond hij den zak aan de buitenzijde glad en glinsterend; de aanwezigheid van een vliezig ligehaam (haarscheede) wordt door hein vermoed, doch kon niet door hem worden aangetoond, daar hij de wortelscheede met het haar uittrok en als bastzelfstandigheid van den haarwortel beschouwde. Hij zag geene \loeistof tusschen de kapsel en bol (haarscheede). De vaten van den haarzak komen volgens Eble (in tegenspraak met Gaültieb) van den bodem des haarzaks, en stijgen aan denzelven omhoog. De bast- en mergzelfstandigheid onderscheidt hij bepaaldelijk; de eerste zou op de epidermis gelijken, bij geen dierlijk haar ontbreken, en ook in de reeharen aanwezig zijn, evenwel slechts zoo dun, dat zij de cellige mergzelfstandigheid laat dootschijnen (II, 22). Ten onregte meent hij, dat zij hij menschenoveral kleurloos zou zijn; de hier en daar aanhangende en zich hier cn daar losmakende schubjes der epidermis bragten hem tot de meening, dat de bastzelfstandigheid, even als de epidermis, geheel en al uit schubjes gevormd was, die zich van tijd tot tijd zouden afstooten, en ten gevolge waarvan het haar zich, van boven naar onderen gestreken, ruw zou laten aanvoelen. De mergzelfstandigheid zou uit overlangsche strepen bestaan, die, aanvankelijk in meerderen getale aanwezig, weldra tot cencn enkelen zouden ineenvlocijen cn door dwarsplaatjes trapvormig afgedeeld zouden zijn; in hare tusschenruimten zou waarschijnlijk eene half vloeibare zelfstandigheid liggen.

De golfvormige dwarsstrepen op de oppervlakte van het haar beschreef Kiudse (Anut. 1833, I, 80) naauwkeuriger; de cilinder, die uit gelijkvormige, digte hoornstof zou gevormd zijn, zou wel geen kanaal, maar afzonderlijke, kleine, rondachtig hoekige cn niet zamenhangende cellen van 'I<i50—'/looo''' doormeting bevatten. De

Sluiten