Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

epidermis zou in den haarzak indringen, in denzelven losser, dikker en wecker ■worden, den haarwortel rondom naauwkeurig hekleeden, en zonder duidelijke grenzen met den omvang des liaarhols ineensmelten.

Gurlt (Müiieb's Archiv, 1835, S. 412,Taf. IX, X) heeft welgelukte afbeeldingen der haarzakken gegeven, zonder dieper in hunne structuur te dringen. In een later opstel (t. z. p. 1836, S. 272) onderscheidt hij aan de spoorbaren der dieren eenen uilwendigen en inwendigen haarzak, waarvan de eerste vezelig en vast, cene voortzetting der huid, de binnenste eene inbuiging der opperhuid zou zijn, die zich aan den bodem weder tot vorming der pulpa zoude inbuigen. Aan alle fijnere haren zou de buitenste zak ontbreken. Tusschenden buitensten en binnensten zak, welke beide door draadjes verbonden zouden zijn, zou zich bloed be\ inden. De buitenste zak van Gcrlt komt met den enkelen haarzak der vroegere schrijvers overeen en ook met den eenvoudigen haarzak des menschen; zijn binnenste zak is de wortelseheede; waar hij nu éénen zak vond, ontbrak niet de buitenste, maar de binnenste. Dat bij de dieren , waaraan hij dezen binnensten zak onderscheidde, daaruit de pulpa zou ontstaan , berust op eene dwaling. Gcrlt vestigde bet eerst de aandacht op de dubbele gedaante van den wortel, naarmate deze nog in zijne ontwikkeling begrepen of volkomen ontwikkeld is: in het eerste geval gaat cr eene korrelige massa van den haarzak in het rudiment van het haar; in het tweede gingen cr draden, even als wortelvezels, van den haarbol naar den haarzak. Aan het onvoltooide haar zou de bol niet langwerpig zijn, zoo als zij zich later voordoet, maar van onderen uitgesneden, omgekeerd hartvormig. De schacht zoueene vezelige bastzelfstandigheid en cellige mergzelfstandigheid bezitten, uit duidelijk zigtbare dwars liggende cellen gevormd; ook bij de menschenharen zou aan overdwarse doorsnellen de middelste ruimte steeds van den bast onderscheiden zijn. Aan haren op den rug der hand eens pasgeboren kinds zag Gcrlt het merg door donkere dwarsstrepen in even groote cellen verdeeld, soortgelijk als eene gelecde conferve. (Ileeft hij wel de buitenste dwarsstrepen bedoeld?)

Berres' afbeeldingen der haren [MikrosJc. Anat. 1836, Taf. VII, Fig. K 8) zijn

van die, welke tot nog toe in het licht zijn gegeven, de naauwkeurigste, daargelaten de mergzelfstandigheid, die te veel het voorkomen van een kanaal heeft en ook door Berres daarvoor gehouden werd. (1) Aan de meeste haren zijn de overlangsche strepen, aan bellangere baar in Fig. 7 en 8 ook de dwarse strepen, getrouw aan de natuur wedergegeven. De celkernen van den haarknop zijn in den eersten bol Fig. 6 te zien; ook de binnenste laag der haarscheede als een zamenhangend, netvormig doorboord vlies in Fig. 7 (de middelste der drie af deelingen). Overal heet het in den tekst (S. 82), dat de hoornweefsels uit kleine veranderde en ineengeschrompelde blaasjes van V20000 en teedere buisjes van '/40000'' bestaan.

IlASPAIL (Sysièm. de cliim. orgnn. §18G6, PI. II, fig. 5) en Arnold {Icon. anat. Fase. II, 1839, Tal). IX, fig-. 21, 22) onderscheiden aan de menschenharen merg- en bastzelfstandigheid, zonder echter van deze naamvkeuriger de eigenaar-

(1) Valentin ("Wagner's Handwörterb. I, S. 756) en Pappenheim (Spec. Gewerbslehre des Aurjet, 1842) nemen ook nog een mergkanaal in het haar aan. Vert.

Sluiten