Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Anat. 2 Aull. 1041, S. 137) als 0,001 '' op; bij zeer sterke vergrootingen vond Jiij aan haar oneindig fijne en digte dwarsstrepen die liij voor voren en opzwellingen houdt, waarmede zij in elkander grijpen, ten einde zich vaster te verhinden. De beide lagen der wortelsclieede, waartusschen ik het onderscheid heb vastgesteld, beschouwt hij als buitenste en binnenste wortelsclieede.

IVa dit historisch overzigt ben ik zeker geregtvaardigd, dat ik de benaming haarbol, als in verschillende beteekenissen in gebruik, verwierp. Deze naam wordt voor haarknop of kolf gebruikt door Lddwig, Ledermülier . Delie Cüiaje, Eble(voor de haren van dieren) Kraüse, Gübit en Zeis (Ammom's Zeitsclir. ƒ. Ophthalm, V, 232); voor haarknop en wortelsclieede door HIeckel, IIeusinger, Jaiin, Ebie (bij menschenbaren); voor wortelsclieede alleen door Malpjghi , die den haarknop als capilulum pili daarvan afscheidt; voor haarknop, scheedeen zak door RcBOirni en Gaültier; eindelijk voor den haarzak alleen door Lauth s. div.poiuts,

p. 9) en E. II. Weber.

Ik besluit met eene aanmerking omtrent de veelbesprokene vraag, of de baren een overtreksel van de opperhuid krijgen of niet. Ruïscn (Thes. anat. V, N. 11), K.aauw (Perspiratie*, 118), Hailer (Element, phys. V, 35) WlTDOF en Delie Chiaje meenen, dat de haren de opperhuid niet doorboren, maar haar met zich in de hoogte voeren. Biciiat sprak dit gevoelen tegen, daar de opperhuid zich veeleer in den haarzak inbuigt en onder de haren heengaat. Daarmede stemmen Heüsinger (Meckel's Archiv, VII, 55G), E. II. Weber (IIildedranbt's Anat. I, 204) en Ebie (I, 68) overeen. Ladtd houdt het midden tusschen de beide meeningen, daar hij leert, dat de opperhuid in den haarzak afdaalt en aan de basis van het haar onafscheidelijk met hetzelve ineensmelt.

Op het tegenwoordig standpunt zijn zulke strijdpunten in liet algemeen van geringe bcteekenis. De eerste meening is in elk geval zonder grond, wanneer ook de epidermis aanvankelijk over den haarzak heengaat, en hare afzonderlijke schubjes vervolgens met het haar in de hoogte worden gevoerd. Wanneer de haarzak naar buiten openstaat, dan is allezins de binnenste oppervlakte van den haarzak in zamenhang met de opperhuid, en hangt bovendien met de buitenvlakte van het haar zamen, zoodat I.ACTn's meening de juiste schijnt te zijn. Wanneer mijn vermoeden zich bevestigt, dat voortdurend de geheele binnenste wand van den haarzak de buitenste van de haarsehacht wordt, dan past dit op geene van de drie voorgedragene meeningen.

Sluiten