Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einden der klierkanaaltjes, d onduidelijk zigtbare, diepere einden. 148 maal vergroot.

Fig. 14. Primair kwabje uit de traanklier van een kalf. A topblaasje; BB zwakke inbuigingen tusschen elke twee met het grootste gedeelte van hunnen wand ineengesmoltene blaasjes; C eene nog ligtere inbuiging; D een gesloten klierblaasje; 148 maal vergroot.

Fig. IS. Cellen uit de lever van het konijn; 220 malen vergroot.

Fig. 16. Maagsapklier van het konijn: a afzonderlijke, kernhoudende cel in de diepte, b twee ineengesmoltene cellen, c met korreltjes gevulde holte; 220 maal vergroot.

Fig. 17. Eene andere maagsapklier uit dezelfde maag, meteen eenvoudig vlies, in azijnzuur doorschijnend gemaakt: a blinde bodem, b opliggende celkern , c lumen der klier. Dezelfde vergrooting.

Fig. 18. Uit de mergzelfstandigheid van de nier eener kat.

A.B. Piskanaaltjes, C haarvat, aa vrije kernen, bb kernen met naauwe cellen, c eene wijde cel.

Fig. 19. Klier van den dikken darm eener kat: ««met water gevulde ruimte tusschen de tunica propria en den taaijen inhoud; bb losse kernen; d eene cel met verdeelde kern; ce groote cellen, in welker wand eene kern ligt.

Fig. 20. Elementen, welke in andere klieren van den dikken darm van hetzelfde dier bevat waren. A kernen, B langwerpige ligchaampjes, misschien onrijpe epithelium-cilinders, C epilheliumcilinder met een opliggend elementair korreltje.

Fig. 21. Uit het colostrum.

A—D Colostrum-ligchaampjes.

E Melkkogeltjes.

F Dezelfden, bij beginnende zuurvorming in de melk.

Fi<r. 22. Slijmligchaampjes uit de mondholte.

A versch; B na behandeling met azijnzuur met duidelijke

kern; C met eene kern, die zich verdeelt; D de kern, in 2

tot 3 elementaire korreltjes gespleten; E de schil opgelost.

Fi". 25. Ei van het zwijn: a chorion, b deszelfs scheur, c cellen van den discus proligcrus of de membram granulosa, ddd dojerkorreltjcs, c kiemblaasje, f kiemvlek ; 220 maal vergroot.

Sluiten