Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontstaan er ziekelijke toevallen uit de onderdrukking of den stilstand der bloeding, dan trachte men de bloeding dadelijk weder door het ophalen ■van warme dampen in den neus, door niesmiddelen, prikkeling van het slijmvlies met de punt eener pen, enz., weder op te wekken, of zette 1 of 2 bloedzuigers aan de neusgaten.

Bij habituele neusbloedingen late men den hals bloot, zonder stropdassen dragen, voetbaden nemen, diene inwendig salpeter toe en verordene over het geheel eene verkoelende leefwijze.

III.

ETTER1NG EN VERZWERING.

OZAENA; (CORYZA PDRULENTA, ULCUSNARIUM, PYORRHOEA NASALIS;

NEUSZWEER).

Berger, De coryza, polypo, ozaena. Witteb. 1691. - El. R. CabraHIW, D. de o»ena. Tüb. 1692 — Rost, D. de ozaena. Altd. ml. — Toet, D. de ozaena. L. B. 17_o. — hraoïstbark, Pr. de ozaena venerea. Lip*. 1758. - Weis , D. de ozaena et polypo na. rinm. Vien. 1782. — MeïeR , Comraent. de ozaena vener. casus singularis. Hamb. li 80. SgqbÊtzer.'d. de phthisi nasali. Erlang. 1789. — j. Frank, 1. c. p. ii. Tol. i. Sect ii. Cap. XXVI. — Percï et Ladrent, in Dict. des Sc. méd. T. XXXIX. Art. Ozene. Naümann, Handb. etc. Bd. I. S. 541. — Cüllerier en Ratier , in Dict. de Méd. et de Chir. prat. — Lagneaü, in Dict. de Méd. — Yajlleix, 1. c. T, I. p. 129.

Yerschijnselen.

K 54. Deze ziekte ontwikkelt zich vaak uit eene hevige neusontsteking of uit eene eerst onbeduidend schijnende slijmvloeijing van den neus. De neus is een weinig rood en gezwollen , de zieken hebben pijn bij het opsnuiven. Langzamerhand wordt de uitvloeijende stof etterachtig, vooral des morgens, wanneer de neusgaten met hoornachtige korsten verstopt zijn. De afgescheidene stof wordt nu waterig, ichoreus, is somtijds met bloed gemengd, inzonderheid des morgens, wanneer de korsten losgescheurd worden, ol zij is dik. ondoorschijnend, groen, op erwtensoep gelijkend. Daarbij versprei deze stof eenen walgelijken, voor den lijder zeiven onverdragel.jken , lijkachtieen op den reuk van carieuse beenderen gelijkenden stank. Heelt er reeds beenverzwering plaats , dan wordt de ichor zwartachtig en met hem ontlasten er zich kleine beenstukken, de bovenlip wordt door den scherpen prikkel der afscheiding ontveld en zuchtig; de punt van den neus meest gezwollen en rood. Niet altijd is de afscheiding zeer aanzienlijk en Lagkeaü onderscheidt daarom drooge, weinig etterende en sterk etterende neuszweren. Bii veranderlijk en koud weder is de uitvloeijing meest het sterkst. De reuk. is verdwenen of gering , de spraak komt uit het verhemelte. Bij het uiteenrekken der neusgaten kan men somwijlen de zweer met het oog ontdekken.

Zit de verzwering in den voorhoofds- of bovenkaaksboezem, of biei zij zich daarin uit, dan verbinden zich met de hier beschrevene verschijnselen, de teekenen van ontsteking en uitzetting dezer boezems (zie § 5).

Sluiten