Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tige, vooral in de eerste uren van den nacht zich verheffende hoofdpijnen , die de venerische ozaena voorafgaan, laten intusschen vermoeden, dat het beenvlies het eerst lijdt. Gewoonlijk is aanvankelijk slechts eene, zeldzamer zijn beide neusholten aangetast. In het begin gaat de ziekte langzaam voort. Somwijlen is de zweer zigtbaar, en zij zou zich even als andere venerische zweren door harde eeltachtige randen , eenen spekachtigen bodem , die niet zelden met eene grijze korst bedekt is, onderscheiden. Zelden is de afscheiding van het neusslijm vermeerderd, zeer vaak vormen zich korsten, die zich afstooten of losgekrabd worden en zich op nieuw vormen. Somwijlen vloeit er stinkende etter en bloed uit, en eindelijk voegen er zich beenbrokjes bij. Eerst worden het ploegbeen, de schelpen en de loodregte plaat des zeefbeens verwoest; dan gaat de verwoesting dikwijls zeer snel door, het gewelf van den neus zakt in, de eigenlijke neusbeenderen worden aangetast, er vormen zich fistels, de huig, het verhemelte, de voorhoofds- en bovenkaaksboezems worden in de vernieling medegesleept.

§ 59. Aan de klierzieke neuszweer lijden vooral kinderen tusschen het 4de en 7de levensjaar, later onregelmatig gemenstrueerde vrouwen. Zij gaat zelden in beenverzwering over, en het beenlijden is hier altijd secundair; de kraakbeenderen worden meer aangetast en verwoest. Zij heeft voornamelijk hare zitplaats in het voorste gedeelte der neusholte, in de punt van den neus; deze is met zweren, tuberkels, korsten bezet, gezwollen, ontstoken. Dikwijls lijden de oogen en de traanwegen mede.

$ 60. De kankerzweer van den neus kan óf uit een hard , scirrheus knobbeltje van den neus, dat door krabben in eene zweer veranderd wordt, óf uit kwaadaardige polypen , óf uit verkeerde behandeling van zweren of uitgroeisels door bijtmiddelen ontstaan. Dan heeft zij dezelfde kenmerken, als de kankerzweer aan andere deelen, harde randen, sponsachtig woekeren, neiging tot bloedingen , afscheiding van ichor met eenen eigenaardigen stank, eene gestadig om zich heen vretende uitbreiding, ofschoon niet zoo snel als bij de venerische neuszweer.

§ 61. Ilerpetische en scheurbwikige neuszweren zijn zeldzamer; de eerste kunnen uit onderdrukten herpes van andere deelen ontstaan. Scheurbuikige neuszweren zouden bij uitsluiting in het antrum Highmori voorkomen (1).

Door eene met stinkend vocht doortrokkene, in de neusholte gebragte spons, kan ozaena voorgewend worden.

Uitgangen.

§ 62. De ozaena kan in genezing eindigen; was de ziekte met beenverzwering gepaard, dan duurt de uitvloeijing voort, totdat alle afgestorvene beenderen afgestooten zijn; de slechte reuk verdwijnt van lieverlede, de afgescheidene stof neemt de hoedanigheid van gewoon etterachtig slijm aan. Dikwijls blijven er wanstaltigheden na; inzakking of verlies van den neus, doorboring van het tusschenschot van den neus, doorgating van het harde verhemelte, enz.; voorts verlies van den reuk.

§ 63. Voortgaande beenverzwering kan de vreeselijkste verwoestingen veroorzaken, en de neus-, oog- en mondholte eindelijk in ée'ne opening ver-

(1) Verg. J. Fbank, 1. c. p. 988.

Sluiten