Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B.

ZIEKTEN VAN HET STROTTENHOOFD EN VAN DE LUCHTPIJP.

EERSTE AFDEEL ING.

Inleiding tot de ziekte- en genezingsleer van de ziekten van het strottenhoofd en van de luchtpijp.

cnetne, The pathology of the memhrane of the larynx and bronchia. Edinb. 1809. — Porter , Observations on the surgical pathology of the larynx and trachea. Dublin. 1826. Hoogd. vert. J. Fa. Rouge. Bremen, 1838. — Heinï. Albers , die Patholog. und Therapie der Kehlkopfskrankheiten Leipz. 1829. — Fred. Rïland , A Treatise on the diseases and iujuries of the larynx and trachea etc. Lond. 1837. — Vaueix, duide du Médecin praticien. Par. 1842. T. I. p. 192.

$ 91. De hulpmiddelen voor de kunstmatige herkenning, ter opsporing van de ziekten van het strottenhoofd en van de luchtpijp zijn:

a) De betasting van den hals: men ontdekt door dezelve, of het stiottenhoofd en de luchtpijp gevoelig zijn voor de aanraking; men ontdekt vooits zwellingen dezer deelen, gezwellen in hunne nabuurschap, welke door diukking verschijnselen kunnen opwekken, die men bij een oppervlakkig ondeiC zoek voor de uitdrukking eener ziekte van het strottenhoofd zelf zou kunnen houden; men wachte zich om zwellingen van de schildklier of emphysemateuse opzetting van het celweefsel aan den hals, niet met zwelling van de luchtpijp of van het strottenhoofd te verwarren; door het betasten herkent men voorts somwijlen eene liggingsverandering van de luchtpijp ten gevolge van de drukking van eene slagaderbreuk of van een ander gezwel. Beweegt men de kraakbeenderen van het strottenhoofd op elkander, dan kan men somwijlen eene soort van kraking voelen, die men echtei niet altijd voor ziekelijk mag houden, daar zij ook bij een gezond strottenhool voorkomt.

§ 92. b) De auscultatie : Men bedient zich daartoe óf van eenen kleinen stethoscoop, óf keert, volgens Piorry's opgave, den door hem uitgevondenen om en zet het boveneinde op den hals. De onmiddellijke auscultatie is niet bruikbaar. De door middel van de auscultatie hoorbare verschijnselen, behooren óf tot het ademhalingsgeruisch, óf tot de stem, óf tot de door in het strottenhoofd en in de luchtpijp bevatte vloeistoffen, of uitgezweete vochten veroorzaakte tegennatuurlijke, ratelende geruischen. De inademing kan met eenen scherpen, fluitenden toon gepaard zijn, die aan het boveneinde van het strottenhoofd het hoorbaarste is; dit fluiten duidt eene vernaauwing der stemspleet of der luchtpijp aan , en deze kan afhangen van zwelling der stemspleetbanden des strottenhoofds, of der luchtpijp door vreemde ligchamen of door uitgezweete stof, door kramp van de toesnoerende spieren der stemspleet

Sluiten