Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Algemeene genezingsleer van de ziekten van het strottenhoofd en

van de luchtpijp.

§ 110. Hetgeen wij over de geneeswijzen in hare bijzondere betrekking tot de ziekten van het strottenhoofd en de luchtpijp hebben te zeggen, laat zich kort bijeen voegen. Het strottenhoofd is een deel, waartoe de onmiddellijke toegang voor de plaatselijke aanwending der geneesmiddelen slechts gedeeltelijk toegelaten is. Al heeft men ook gezocht, van uit de keel poeders of vloeibare geneesmiddelen in het strottenhoofd te brengen, blijft deze behandeling toch altijd hoogst onzeker en onvolkomen, daar tegen de hevige prikkeling, die iedere zoodanige proef veroorzaakt, de sluitspieren van de stemspleet dadelijk terugwerken en den toegang iu de luchtwegen geheel of gedeeltelijk afsluiten. Deze pogingen hebben dus geene andere uitwerking , dan dat zij de spieren en het slijmvlies van- het strottenhoofd tot eene oogenblikkelijke levendige terugwerking opwekken. Het strottenhoofd en de luchtpijp zijn meer toegankelijk voor die geneesmiddelen, welke in den vorm van damp onder de lucht, die ingeademd moet worden, gemengd zijn. Eindelijk is de plaatselijke aanwending van geneesmiddelen op het slijmvlies dezer deelen daardoor mogelijk, dat men den toegang tot hetzelve doordestrottenhoofds-ofluchtpijpssnede kunstmatig baant. De ligging van het strottenhoofd en van de luchtpijp is daarentegen voor de aanwending van geneeskrachtige middelen op de uitwendige huid van den hals in zoover gunstig, als uit hoofde van de geringe dikte der bekleedselen, welke tusschen deze deelen en de huid liggen , derzelver werking ligter doordringt.

A. De ontstekingwerende geneeswijze in strottenhoofdsziekten.

^ 111. De ontstekingwerende geneeswijze is van eene uitgestrekte toepassing in de ziekten van het strottenhoofd. Het snelle beloop , dat deze aandoeningen dikwijls nemen, het gevaar, waarmede zij uit hoofde van de levenskrachtige belangrijkheid van dit deel en van deszelfs maaksel gepaard gaan, vereischen een koen gebruik van bloedontlastingen, zelfs reeds iu gevallen, welke, wat de uitbreiding en den graad der ontleedkundige verandering aangaat, voor ieder ander deel zulk eencn maatregel ter naauwernood noodig maken zouden. Gelijk in alle aandoeningen der ademhalingswerktuigen geven ook hier algemeene bloedontlastingen dikwijls veel meer verligting dan plaatselijke, en verdrijven, waar zij niet tegenaangewezen zijn, gewoonlijk spoedig de bij strottenhoofdsziekten zoo vaak voorkomende verstikkingsaanvallen. Dikwijls is men genoodzaakt, de algemeene ontlasting te herhalen, of daarop eene plaatselijke te laten volgen. Tot deze laatste passen uit hoofde van de gedaante van den hals bloedzuigers het best; men zet ze meestal zoo nabij het lijdende deel als mogelijk is, en hunne werking is uit hoofde der bijna onmiddellijke bevrijding van het nabijgelegen zieke deel dikwijls in het oog loopend spoedig. In vele gevallen zet men deze dieren liever op het borstbeen of in de groeven boven hetzelve en de sleutelbeenderen , aan de zijden van den hals en laat op deze wijze het middelste gedeelte van den hals vrij , om in eene mogelijk later noodig wor-

Sluiten