Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwijld tot de luchtpijpssnede over, welke met tot dat tijdpunt mag verschoven worden, waarin de zieke door den langeren duur van den hoogsten graad van belemmerde ademhaling reeds in eenen toestand van halven schijndood verkeert en het bloed door gebrek aan verzuring door en door ontmengd is.

$ 143. Tegen nablijvende slijmvloeijing raadt Schönlein het inwendig gebruik van zwavelzuur in verbinding met narcotica in een slijmig voermiddel aan; tegen nablijvende schorheid en heeschheid der stem blaartrekkende pleisters, verandering van woonplaats en zwavelhoudende minerale wateren.

Dezelfde behandeling als voor de stroltenhoofdsontsteking past bij luchtpijpsontsteking.

b) LARYNGITIS SUBMUCOSA; (ANGINA LARYNGEA OEDEMATOSA, ZUCHTIGE ZWELLING VAN HET STROTKLEPJE, VAN HET STROTTENHOOFD EN VAN DE LUCHTPIJP; ROOSACHTIGE ONTSTEKING VAN HET ONDERSLIJMVLIESWEEFSEL VAN HET STROTTENHOOFD.)

Tiivillier , Essai sur l'inflammation laryngée oedémateuse. Paris. 1805. — Lawrence , in Medicochir. Transact. Lond. 1815. Vol. VI. p. 65. Samml. auserl. Abh. Bd. XXVI. S. 34. — Baïle, Mém. sur 1'oedème de la glotte : in Jonrn. gén. de méd. etc. 1819. H. 4. p. 78.— Bodillaid, Arch. gén. de Médec. 1825. H. 2. — Porder, 1. c. p. 99. — BrüGGEMArm, in Schmidt's Jahrb. Bd. X. S. 226. — Crdveiihier, in Dict. de Méd. et de Chir. prat* — Naumawn, 1. c. Bd. 1. S. 361. — Hasse , Pathol. Anat. etc. S. 355.

§ 144. Deze het eerst onder den verkeerden naam van Oedema glottidis door Baïle beschreven ziektevorm is een soms acute, soms subacute, soms slepende vochtstilstand van het onderslijmvlies-celweefsel van het strottenhoofd, welks voortbrengselen in dit weefsel zelf nedergelegd worden en aanmerkelijke verwoestingen kunnen veroorzaken.

Ontleedkundige kenmerken.

§ 145. Het onderslij ra vlies-cel weefsel van het strottenhoofd onderscheidt zich door slapheid, inzonderheid in de slijmvliesplooijen, die zich van het strotklepje naar de bekervormige kraakbeenderen uitstrekken, de zoogenoemde ligamenta ary-epiglottica, en deze zijn dus ook het veelvuldigst de zitplaats van dezen vochtstilstand , dien Cruveildier als Laryngite sus-glottique beschreven heeft; zeldzamer strekt hij zich ook lot het onderslijmvlies-celweefsel beneden de stemspleet uit (Laryngite sous-glottique). Al naar de verscheidenheid van het voortbrengsel van den vochtstilstand vindt men in de lijken dit celweefsel met enkel weiachtig, of wei-etterachtig vocht, of met zuiveren etter doprtrokken; ten gevolge dezer infiltratie zijn de randen der stemspleet gezwollen, verdikt en vormen twee naast elkander liggende, soms ter grootte van een duivenei uitpuilende knoesten, door welke de stemspleet gesloten wordt; dikwijls bestaat de zwelling slechts aan eene zijde van het strottenhoofd. De wei of de etter is binnen een zeer digt celweefsel besloten, het

Sluiten