Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, of de plaatselijke toevallen» pijn, belemmerde ademhaling, stikkende benaauwdheid enz. de hevige ontstekingachtige terugwerking bewijzen, en bovendien de heerschende ziektegesteldheid ontstekingachtig is, is het raad» zaam, de aanwending van het braakmiddel door eene algemeene of plaatselijke bloedontlasting, waarvan de hoeveelheid naar den leeftijd, het gestel van het voorwerp, naar den graad der koortsige terugwerking en de plaatselijke ontsteking moet bepaald worden, te laten voorafgaan; men zij hierbij bedacht, dat vele crouplijders door eene uitputtende bloedontlasting alleen, zonder ondersteuning van eenig ander middel, hersteld zijn. Hoe volbloediger en sterker de kinderen zijn, hoe synochaler het koortskarakter dadelijk van het begin af aan, hoe voller en harder de pols, hoe rooder het gelaat en hoe grooter de elk oogenblik met stikken dreigende belemmering van de ademhaling is, des te dringender is eene ruime bloedontlasting aangewezen. Alleen bij een zeer dringend gevaar zal het noodig zijn eene algemeene bloedontlasting door eene aderlating te bewerkstelligen; bij de meesten is het aanzetten van bloedzuigers, waarvan men bij kinderen onder de vijf jaren tweemaal zoo veel, als het kind jaren telt, aan den hals, boven 'het borstbeen of onder de sleutelbeenderen, aanzet, voldoende om het vaatstelsel te ontlasten. Volgens Löwenhardt was de bloedontlasting groot genoeg, wanneer de ademhaling vrijer, de pols lediger en weeker werd, zelfs al had hij niet in menigvuldigheid verloren. Drijft men de bloedontlasting te ver, dan loopt men gevaar, door overmatige verzwakking van de kinderlijke bewerktuiging den overgang der ziekte in torpor te weeg te brengen, daardoor de uitademingsspieren van de kracht te berooven, om de ziekelijke voortbrengselen uit de luchtwegen te drijven, en den dood door verstikking te bespoedigen (1).

§ 210. Men diene ook in deze gevallen onmiddellijk na de verrigte bloedontlasting het braakmiddel in volle gift toe; wij kiezen tot dit einde het kopervitriool, uit hoofde van zijne zekere werking, boven alle andere

(1) Aderlatingen in den croup zijn aangeraden door Ghisi, Home, Crawford , Rosin , Bayley , Middleton, Balfoür, Michaelis, Jurine , Sagdse, Frank en anderen (verg. J. Frank. 1. c. p. 164. Not. 45). J. Frank zag goeden uitslag van aderlatingen, wanneer bloedzuigers reeds vruchteloos gebruikt waren. In vele croup-epidemiën, bij eene ligt ontstekingachtige ziektegesteldlieid schijnen aderlatingen weder niet verdragen te worden (ald. p. 165, not. 46). Cij kinderen onder de 5 jaren zijn aderlatingen ontbeerlijk. Men kiest liefst de armaderen en bepaalt de grootte der bloedontlasting naar het getal der levensjaren, zoodat men op ieder jaar ongeveer 1§ once rekent. Kinderen tot flaauwworden ader te laten, dunkt ons altijd iets zeer bedenkelijks. Men moet volgens J. Frank de aderlating herhalen, wanneer na de eerste bloedontlasting de ziekelijke toestand, de belemmerde ademhaling, de bloedophoopingen naar het hoofd zich gelijk blijven. Maar dikwijls is dan ook eene plaatselijke ontlasting voldoende.

Bij zeer teedere en kleine kinderen is de bloedontlasting door bloedzuigers genoegzaam; Treber , Hirsciifeld, Werner, Gölis , Malfatti en Copland verklaren over het geheel , met uitzondering der uiterst ontstekingachtige gevallen, de plaatselijke bloedontlasting voor doelmatiger. Het getal van bloedzuigers, dat men aanzetten moet, laat zich niet vooruit stellig bepalen; dit hangt van de vaak zeer verschillende hoeveelheid van het door dezelve ontlast bloed en van de ziekteverschijnselen af. Men kan op de bloedzuigerbeten koppen zetten; waar deze dieren ontbreken, vervange men dezelve met bloedige koppen. De bloedontlasting moet herhaald worden , wanneer de ontlasting te gering was, niet de verwachte uitkomst opleverde, of de verschijnselen spoedig weder tot hunne eerste hoogte klimmen.

Sluiten