Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 238. Deze ziekte is volgens Schcwibii* uiterst verraderlijk in haar beloop; dikwijls, wanneer men haar verdreven waande, keeren de aanvallen terug en de zieken gaan door verstikking te gronde. Dikwijls doodt zij door zuchtige zwelling der stemspleet; of men vindt in het strottenhoofd de bij de strottenhoofdsvernaauwing nader beschrevene verandering der weefsels.

§ 239. In het begin gelukt het misschien door het inbrengen van bougies, die met druiperstof bestreken zijn, in de pisbuis, den druiper op zijne vorige zitplaats te herstellen en daardoor het strottenhoofd vrij te maken. Heeft deze handelwijze geen gewenscht gevolg, dan is de ontstekingwerende geneeswijze, het gebruik der alterantia (kwik, goud, honger-, smeerkuur) en het zetten van een haarsnoer in de nabijheid des strottenhoofds van toepassing.

ETTERING EN VERZWERING; T UB E RK E LZ U C HT.

LARYNGITIS EN TRACHEITIS CHRONICA; (TUBERCULOSIS, ÜLCERA LARYNGIS ET TRACHEAE, LARYNGO- EN TRACHEOPHTHISIS, STROTTENHOOFDS- EN LUCHTPIJPSTERING, KEELTERING).

SujvtEb, Diss. Récherches sur la phthisie laryngée. Paris 1808. — Schösbach, Diss. de phthisi

tracheali. Yilnae 1808. — J. B. Caïol, Réchrlches sur la phthisie trachéale. Paris 1810.

Delpit, Article Phthisie laryngée in Dict. des sc. méd. Torae XXVII. pag. 204; Article Phthisie trachéale op. c. T. XL1I. p. 166. — Kolesza, Dissert. de phthisi laryngea et

tracheali. Vilnae 1821. — Tickeb in Hdïelasd's Journ. 1819. Bd. 48. H. 2. pag. 26.

SuHESLWO, ald. 1821. Bd. 53. H. 3. p. 115. — J. Fra.\k 1. c. P. II. Tol. H. Sect. I. p. 195. — ff. Sacjise , Beitr. zur genaueren Kenntniss und Unterscheidung der Kehlkopfund Luftrohrenschwindsucht. Hanover 1821. — Glede. D. de phth. laryngea, Berol.

1828. — Porteb, L. c. — A. L. Th. Bock, Diss. de phthisi tracheali. Berlin 1825.

I. F. H. Albess, die Kehlkopfkrankheiten u. s. w. Leipz. 1829. — Dezelfde, Beitrage zur pathol. Anatomie. — Naeha™, L. c. Bd. 1. S. 351. _ A. Fa. Fischeb, Verhaltungs-

regeln bei der Luftrohrenentzündung und Luftrohrenschwindsucht u. s. w. Dresden 1829.

CauvEiLHiBB, in Dict. de Méd. et de Chir. prat. — Carswell, in Cyclop. of pract. Med

Rïland , 1. c. p. 82. — Trocsseau et Belloc, Traité prat. de la phthisie laryngée. Paris,

18o7; Hoogd. vert. t. Robberg; mit Zusiitzen v. J. F. H. Albebs. [ eipz. 1839 J. B. Barth ,

in Arch. de Méd. 1839. Juin; Sciuiidt's Jahrb. Bd. XXVI. S. 25 en Arch. de Méd, 1838.

Juli. — Schöhleik, Torlesungen. — Rokitakskï , 1. c. Bd. III. S. 33 n. fl Hasse 1

c. B. 1. S. 476.

Wij beschrijven in dit hoofdstuk ziektevormen, die, ofschoon waarschijnlijk zoowel in hunne ontleedkundige kenteekenen, als in oorsprong van eikanderen verschillend, toch in de manier, waaropzij aan het ziekbed voorkomen, zoodanig overeenstemmen, dat zij bij het leven zonder het uitkramen van spitsvindigheden bijna niet te onderkennen zijn. Ook is zulk eene diagnostische fijnheid voor de praktijk zonder belang, omdat men ook zonder haar de keus eener juiste geneeswijze wel treffen kan.

Ontleedkundige kenmerken.

§ 2-t0. Het lijdt geen twijfel, dat in vele gevallen van slepende strottenhoofdsontsteking het zieke slijmvlies van het strottenhoofd en van de lucht-

Sluiten