Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pijp geene andere veranderingen vertoont, dan zwelling en overvoeding der slijmbeursjes op de klierrijke plaatsen in den vorm van granulatien, met welke het somtijds opgezet en verweekt slijmvlies bezaaid is; dezen toestand vindt men intusschen zelden in lijken, omdat deze graad der ziekte niet doodelijk eindigt.

Zeer dikwijls is het slijmvlies van de luchtpijp, vooral van haren achterwand , de luchtbuisstammen, en de onderste vlakte van het strotklepje de zitplaats van zeer oppervlakkige invretingen, welke vaak slechts bij eene groote oplettendheid zigtbaar zijn; hare randen zijn scherp, haar bodem soms met eene dunne laag van eene weeke, roomachtige uitzweeting bedekt. Deze omschrevene verzweringen komen alleen bij longteringzieken voor, zijn soms juist op de met de zieke long overeenstemmende zijde der luchtbuizen en der luchtpijp in een groot getal aanwezig en strekken zich vaak tot in de keel, tot op den wortel der tong uit, waar zij dan werkelijke spruw vormen , waarmede zij ook volkomen overeenstemmen; zij ontstaan, even als deze, ten gevolge van de voortdurende bespoeling en eindelijke pleksgewijze verweeking van het slijmvlies door den tuberkeletter.

§ 241. De oorspronkelijke en zelfstandige nederzetting van tuberkelstof in het strottenhoofd en de luchtpijp zonder gelijktijdige tuberkelzucht der longen, is door verscheidene waarnemers in twijfel ge#okken, en zeker is zij hoogst zeldzaam; de bepaling van de ware verhouding tusschen tuberkelzucht der long en die des strottenhoofds is moeijelijk, omdat, al ontwikkelt zich ook het proces van vreemde weefselvorming het eerst in het strottenhoofd , de longen toch spoedig in medelijdenheid betrokken worden, omdat voorts de eerste beginselen van tuberkelzucht in de longen dikwijls niet herkenbaar zijn. De tuberkels kiezen bijna altijd het slijmvlies en het onderslijmvliesweefsel van het strottenhoofd voor hunne zitplaats; hunne menigvuldigheid neemt van boven naar beneden af, en slechts zeer zelden zijn het strotklepje en de luchtpijp daardoor aangetast. De tuberkelmassa zet zich óf als grijze granulatie, óf als vormelooze, geele, kaasachtige^ infiltratie in het slijmvlies en het onderslijmvliesweefsel af; door verweeking en vervloeijen der granulatie vormt zich een rond zweertje met opstaanden rand, dat met andere nabijliggende zweertjes ineenvloeijen en eene grootere onregelmatige zweer vormen kan; door vervloeijing der tuberculeuse infiitratie ontstaat dadelijk eene zweer van eenen onregelmatigen afgestoken vorm. In de randen en in den omtrek der zweer duurt de afzetting van tuberkelmassa voort en met de verweeking daarvan strekt de verwoesting zich van lieverlede in lengte en diepte uit, kan naar boven het zachte verhemelte en den tongwortel, naar beneden de luchtpijp bereiken, verettering der spieren en banden, versterving der kraakbeenderen, etterinfiltratie en doorboringen van de overige deelen .van den hals te weeg brengen. Mei waardig is de verandering, die somtijds gelijktijdig in de kraakbeenderen van het strottenhoofd en van de luchtpijp plaats grijpt. Door den met het veretterings- en verwoestingsbedrijf gepaarden vochtstilstand ontstaat tusschen het kraakbeenvlies en de kraakbeenderen eene afzetting van aardachtige beenzouten, eerst in den vorm van onregelmatige ruwe plaatjes, die zich langzamerhand vergrooten, het kraakbeen gedurig meer en meer insluiten en het eindelijk geheel verdringen, zoodat eindelijk eene ruwe

Sluiten