Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het eerste tijdperk der ziekte wordt de hoest gewoonlijk door het nemen van spijzen en dranken bedaard; later dringen deze gedeeltelijk in het strottenhoofd en wekken hevige aanvallen van stikhoest op.

§ 244. Een der eerste verschijnselen is de verandering van de stem. In het begin is de heeschheid slechts tusschenpoozend, vertoont zich vaak enkel voor een oogenblik, waarbij zich vreemde toonen in de uitspraak dringen; de heeschheid komt na inspanningen van het stemwerktuig, na het werken van eene plotselinge verandering in den warmtegraad op, maar wordt toch minder bij den overgang van eenen middelbaren warmtegraad tot eenen kouden, dan in het omgekeerde geval waargenomen. Dikwijls is de stem des morgens vóór het opstaan nog zuiver, maar wordt in den loop van den dag steeds heescher en is des avonds het meest bedekt. Bij eene ledige maag is de heeschheid gewoonlijk sterk, verdwijnt geheel of gedeeltelijk na den maaltijd, maar keert spoedig in denzelfden graad terug. De verandering in de stem is ook een of twee dagen vóór den stondenvloed merkbaarder. De heeschheid wordt spoedig aanhoudend en gaat eindelijk in enkel lispelen en eene volslagene stemmeloosheid over.

§ 245. De fluimen zijn in het begin zuiver slijmachtig, doorschijnend, schuimend, niet zeer taai, soms in eene geringe, soms in eene ruime hoeveelheid voorhanden. Zelden zijn zij met bloed gemengd, echter werpen sommige zieken soms zuiver bloed uit. De fluimen komen, naar het gevoel des lijders, niet uit de diepte der borst, en dikwijls bepaalt hij naauwkeurig de plaats, van waar hij voelt, dat het slijm zich losmaakt. De fluimen veranderen zich thans; men merkt in het slijm kleine, kogelvormige, etterachtige, soms kwalijkriekende klompjes op, die op den bodem van het vat zinken; deze etterachtige massas zijn niet zamenhangend en gebonden, zoo als de fluimen bij longtering. In zeldzame gevallen zijn zij met schijnvliezige vlokken gemengd en soms worden verstorvene kraakbeenstukken mede opgehoest. In het laatste tijdperk der ziekte worden de fluimen vaak geelachtig grijs, hoogst kwalijkriekend en zamenvloeijend. Zit de verzwering hoog in het strottenhoofd, dan neemt men den etterachtigen reuk reeds in den adem waar.

De ademhaling is in het eerste tijdperk der ziekte in het algemeen niet gestoord ; eerst wanneer zij eenen hoogen graad bereikt heeft en er bij de verzwering eene aanzienlijke zwelling, infiltratie der weefsels gekomen is, wordt de inademing klinkend, fluitend, sissend. Door middel van de auscultatie hoort men vaak reutelen in het strottenhoofd, vooral wanneer dit en deszelfs boezems met slijm of etter overvuld zijn.

§ 246. Meestal is het slikken gehinderd of pijnlijk en met hoestaanvallen gepaard; en dit vooral dan, wanneer de verzworene plaats zich aan de achterste, naar den slokdarm gekeerde zijde van het strottenhoofd bevindt; vaste spijzen veroorzaken somtijds minder last dan vloeibare, die met geweld weder naar boven gedreven worden. Somwijlen wordt zelfs het slikken geheel onmogelijk en de zieken moeten met de slokdarmsonde gevoed worden. Heeft er doorboring van den slokdarm plaats, dan dringen vloeibare stoffen in de luchtpijp en worden met hoesten uitgestooten.

§ 247. Volgens Trousseau is er nooit uitwendige zwelling van den hals aanwezig, hetgeen in gevallen van aanzienlijke kraakbeenverzwering en

Sluiten