Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdperk de krachten in stand te houden, verschillen niet van de regelen, die voor tering in het algemeen geldig zijn.

III.

GELIJKAARDIGE EN VttEEJIDAARDIGE WEEFSELVORMING.

VREEMDE WEEFSELS IN HET STOTTENHOOFD EN IN DE LUCHTPIJP. (SLEPENDE VERNAAUWING VAN STROTTENHOOFD EN LUCHTPIJP).

schosleirr, Yorlesungen. — Usneb, D. de tnmoribus in cavo laryngis. Bonn. 1833. — Albees, in y. GeSfe und Waither's j. Bd. 21. H. 4. Schmidt's Jahrbücher Bd. IX. S. 175. — Rokitanskï , 1. c. Bd. 5. S. 31. — Hasse, 1. c. Bd. I.

§ 27a. Wij meenen den naam van Laryngo-Stenose , welken , voor zoo veel ons bekend is, Scdönleih het eerst gebruikt heeft, verder te moeten uitbreiden, dan onze hooggeschatte leermeester, die hieronder slechts die gevallen begrijpt, waar eene vernaauwing van de inwendige holte van het strottenhoofd ten gevolge van likteekenvorming of eeltachtige verdikking van het slijmvlies heeft plaats gegrepen. Het ziektebeeld, dat Schöxlein van de door deze verandering veroorzaakte vernaauwing der luchtwegen ontwerpt, past, volgens een door ons verrigt onderzoek van het gering getal der bekend gemaakte waarnemingen, ook volkomen op die gevallen, waarin de gedeeltelijke toesluiting van de holte van het strottenhoofd door nieuw ontstane vreemde weefsels binnen in het strottenhoofd of de luchtpijp, of ook door gezwellen, die van buiten op dezelve drukken, te weeg gebragt wordt. Wij noemen deze strottenhoofdsvernaauwing slepend in tegenoverstelling van de acute toesluiting der luchtwegen door ontsteking, uitzweeting , infiltratie in het onderslijmvliesweefsel enz.

Ontleedkundige kenmerken.

§ 276. In het strottenhoofd komen vreemde vormsels van verschillende soorten voor, die Rokitansky als epitheliumwoekeringen, cel- of slijmpolypen en condylomateuse uitgroeisels, oprigtbaar weefsel, fibroïden en kankers opsomt. Ten opzigte van de nadere beschrijving van de ontleedkundige hoedanigheid dezer vreemde weefsels verwijzen wij op boven vermelde schriften van Albers , Rokitansky en Hasse. Ook komen aan het strotklepje somwijlen condylomateuse en vezelige gezwellen voor, die heeschheid en benaauwdheid van de ademhaling kunnen veroorzaken. Als druipervernaauwincr van het strottenhoofd beschrijft Rokitansky eene verandering van het slijmvlies en van het onderslijmvliesweefsel van het strotklepje, vaii de zijdehngsche verdubbelingen van het slijmvlies van de stemspleet en die van de bovenste stemspleetbanden tot een vezelig-spekachtig, wit, weerstand biedend weefsel van aanzienlijke dikte, met vernaauwing van de stemspleet en van de holte des strottenhoofds.

Sluiten