Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verschijnselen.

§ 277. Scdönlein heeft het eerst een naauwkeurig beeld van dezen ziektevorm ontworpen, waar weinig is bij te voegen.

Schonlein onderscheidt eene reeks van blijvende verschijnselen en de daar tusschenkomende (op aamborstigheid gelijkende) aanvallen. Als blijvend verschijnsel is allereerst de aanzienlijke verandering van de stem in het oog loopend, die heesch, piepend , en bij het spreken vaak met eenen eigenaardig knarsenden toon gepaard is en soms geheel verloren gaat. Ook hij het ademen hoort men, vooral met den stethoscoop, eenen eigenaardigen klank, alsof de lucht door eene vernaauwde plaats dringt; de zieke klaagt over bestendige moeijelijkheid in het ademhalen, ofschoon de borst vrij is; de inademingen zijn lang gerekt, de uitademing kort, omdat er weinig lucht te lozen is. Het strottenhoofd is vaak de zitplaats van stekende, brandende, bij uitwendige drukking, ook wel bij het slikken, vooral van vaste spijzen, toenemende pijn. De zieken voelen soms bij het slikken een werktuigelijk beletsel; in den laatsten tijd nemen de moeijelijkhe8en bij het slikken toe, een gedeelte der spijzen geraakt in de luchtpijp, verwekt hoesten en wordt door den neus weder uitgedreven. Hoest is er gestadig aanwezig, in het begin droog, vervolgens meer vochtig, met geelachtige , slijmige, soms zelfs met bloed gekleurde fluimen gepaard. De in klank dikwijls op croup gelijkende hoest is des morgens het veelvuldigst. Bij deze plaatselijke verschijnselen voegt zich, ten gevolge der onvolledige bloedmaking en voeding, een in het oog loopend gevoel van zwakte en afmatting, afname van de huidwarmte, zwakte van den pols en eindelijk ook vermagering.

§ 278. Zeer karakteristiek zijn de aanvallen van belemmerde ademhaling, die in een zeker tijdperk den zieke aantasten en in soms kortere, soms langere tusschenpoozen terugkecren; zij verschijnen gewoonlijk des nachts, of worden door veel spreken, door het slikken van spijzen te weeg gebragt, duren vaak slechts een kwartier, maar ook wel geheele nachten achtereen. Door een zamensnoerend gevoel in de borst uit den slaap opgeschrikt, ademen de zieken met eenen lang gestrekten hals en eenen fluitenden toon in, klemmen zich in hunne angst aan alles vast, rukken het venster open om lucht te krijgen, hun gelaat is bleek, ontdaan, ingevallen, de pols klein, bevend, soms uitblijvend. Eindelijk keeren deze aanvallen alle avonden weder.

Herkenning.

^ 279. Van strottenhoofdsontsteking onderscheidt zich de slepende strottenhoofdsvernaauwing door het beloop der ziekte, door hetgeen voorafgegaan is, door de bij strottenhoofdstering vaak zigtbare roodheid en verzwering van het slijmvlies der keel; bij vernaauwing ontbreken gemeenlijk de etterachtige fluimen, de ctterstank van den adem, het dik beslag van den wortel der tong, de hectische koorts. Intusschen komen er gevallen van zamenstelling der strottenhoofdsvernaauwing met longtering voor, die in de herkenning veel moeijelijkheid kunnen veroorzaken.

§ 280. Van aamborstigheid onderscheidt de ziekte zich door de de aanvallen voorafgegane en in de tusschentijden blijvend voortdurende verschijn-

Sluiten