Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch rood is, en slechts van lieverlede in omvang wint. Het gezwel wordt somwijlen rood aan de punt, jeukt, en doordat het zich van zelf opent of door de kunst geopend wordt, ontlast zich uit deszelfs naauwe ronde opening een slijmig etterachtig vocht in eene geringe hoeveelheid. Het naar de luchtpijp loopend kanaal bevindt zich in de streek van de insnijding van het schildvormig kraakbeen (somwijlen ook boven het borstbeensuiteinde des sleutelbeens), is zeer naauvv en uit hoofde van deszelfs schuine rigting zeer mocijelijk met de sonde te vervolgen. Somwijlen komen blazen uit de opening , wanneer de lucht uit de longen met toegehoudene neusgaten met geweld in de luchtpijp geperst wordt.

§ 326. AsctiERSOK en Serres hebben ook gevallen van deze ontwikkelingsbelemmering beschreven. Volgens Ascüersoh kan de fistelgang met de keel of den slokdarm gemeenschap hebben. De huidopening der fistel bevond zich soms aan de linker-, soms aan de regter zijde en een paar malen op het midden van den hals. In alle gevallen scheen de ziekte aangeboren, in verscheidene erfelijk; men vond haar 13 malen bij personen%an het vrouwelijk en 3 malen bij personen van het mannelijk geslacht, en zij schijnt meermaals tot aan het einde des levens te hebben voortbestaan.

J 327. De behandeling der aangeborene luchtpijpsfistel bestaat in het insnijden van haar kanaal tot op de plaats, waar zij in het strottenhoofd of in de luchtpijp overgaat, in wondmaking van het slijmvlies, dat dit kanaal bekleedt, of in uitbijting van hetzelve met zwavelzuur of bijtende potasch.

VREEMDE LIGCHA5IEN IN DE LUCHTWEGEN.

Hivis, in Mém. de 1'Acad. de Chir. Tol. I. pag. 565. — Louis, Mém. de 1'Acad. de Chir.

Vol. III pag. 455. — de la Maminièak, Mém. de 1'Acad. de Chir. Vol. V. p. 521

Zie de Werken over Chirurgie enz.

Verschijnselen.

• ^°.ot*ra een yreemd ligchaam door toeval in het strottenhoofd of

in e luchtpijp geraakt, ontstaat dadelijk een hevige stuipachtige hoest met gevaar van verstikking, welke niet aanhoudend voortduurt, maar met merkbare tusschentijden van ruit afwisselt. De zieke weet vaak duidelijk de zitplaats van het vreemde ligchaam op te geven; dit verandert soms bij hetinof uitademen, bij het hoesten van plaats; wanneer het tegen de stemspleet naar boven gedreven wordt, ontstaat er gevaar van verstikking. Dikwijls duren ook in de van hoest vrije tusschentijden pijn, moeijelijk ademen, verhinderingen m het slikken, fluiten en reutelen in de keel èn in de luchtbuizen voort; de stem is dikwijls veranderd, schor of uitgedoofd; soms bloederige fluimen. Zit het ligchaam in eenen luchtpijpstak, dan ontbreekt dikwijls Inj eenen regelmatigen klank van de percussie het ademhalingsgeruisch in de daarmede overeenstemmende longkwab. Ten gevolge van den verhinderden terugvoer van bloed onstaan er toevallen van aderlijke bloedovervulling het gelaat zwelt op, wordt donkerblaauw, de halsaderen zetten zich als strengen op, de oogen puilen uit. Bij het voortduren van de belemmering

Sluiten