Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter van het geluid te kunnen besluiten, dat het in het eerste geval werkelijk door het doorstrijken der lucht door vocht in de luchtwegen, in het tweede geval door verandering der vaste deelen, vernaauwing der luchtbuizen door zwelling van het slijmvlies, emphysema der long enz. veroorzaakt wordt. Deze toepassing is niet altijd juist en daarom heeft die verdeeling slechts weinig practische waarde.

§ 393. De reutelgeluiden zijn met groote of kleine, met ongelijke of gelijke bellen. Het reutelen met groote bellen kan in het strottenhoofd, in de luchtpijp, in de groote luchtbuizen, in holten, maar het kan nooit in de fijnste luchtbuizen en cellen ontstaan ; dat met kleine bellen ontstaat in de fijnste luchtbuizen en cellen, maar kan ook benevens het reutelen met groote bellen in de bovenste gedeelen der luchtwegen en in holten voorkomen. Is het reutelen met kleine bellen gelijkmatig, d. i. niet met dat met groote bellen gemengd, dan is dit een zeker teeken van zijnen oorsprong in de fijnste luchtbuisjes en longcellen. Men noemt het in dit geval knetteren (Laennec'b vochtig knetteren, rale crépitant).

§ 394. Het knetteren luidt, even als of men gezond vochtig longweefsel tusschen de vingers drukt, als of men een haarlok tusschen de vingers wrijft. Laennec houdt het voor het pathognomonisch teeken van het eerste en van het oplossingstijdperk der longontsteking (rale de retour). Deze verklaring is veel te uitsluitend. Het knetteren (reutelgeruisch met kleine bellen) beduidt niets anders, dan verzameling van vocht in de fijnste luchtbuizen en longcellen, dat uit slijm, etter, bloed of wei kan bestaan. Men kan dus dit verschijnsel even zoo wel bij bronchitis capillaris, bij oedema der longen , bloedspuwing, longenberoerte, als bij longontsteking ontmoeten, terwijl het niet minder vaak bij pneumonie ontbreekt. Eerst door de verbinding met andere verschijnselen verkrijgt het rale crépitant eene beteekenis. Om deszelfs pathognomonische waardigheid voor de herkenning der longontsteking te redden , heeft men zijne toevlugt tot kunstgrepen genomen en gezegd: »Het rale crépitant bij longontsteking is slechts bij de inademing hoorbaar; het gedurende de in- en uitademing hoorbaar knetteren , dat tot andere toestanden behoort, is eene verscheidenheid, die Laennec als r&le sous-crépitant heeft beschreven." Maar deze onderscheiding berust niet op de ondervinding. Zeker is het knetteren somwijlen slechts gedurende de inademing vaak in de beide oogenblikken hoorbaar; maar niet zóó , dat men het regt zou hebben, deze wijzigingen als pathognomonisch voor den eenen of den anderen der boven vermelde ziekelijke toestanden te verdedigen.

§ 395. Het knetteren en half knetteren maakt van lieverlede overgangen tot het reutelen met groote blazen of slijmreutelen, tusschen welke geen vaste grens kan vastgesteld worden. Het ongelijkmatig reutelgeruisch met groote of met groote en kleine bellen is het rale muqueux van Laennec , Amdral en anderen. Wij kennen geene bepaalde kenmerken, waardoor men zou kunnen onderscheiden, of dit reutelgeruisch door vocht in de luchtwegen, of door zwellingen in het slijmvlies of in holten voortgebragt wordt, welken graad van taaiheid dit vocht heeft, of het slijm, etter, wei, of bloed is.

§ 396. Laennec nam aan, dat men een holtegereutel (rale caverneux) dooide grootte en ongelijkheid der bellen en door de beperking van het geruisch tot eene omschrevene ruimte, waar men ook holteademen en borststem

Sluiten