Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schondenhcid van de hersenen, van het verlengde merg, en van het bovenste gedeelte des ruggemergs, der middelrifs-, Willis-, zwervende en uitwendige ademhalingszenuwen. Moeijelijke ademhaling ontstaat dikwijls reeds door verrigtingsziekten des zenuwstelsels zonder herkenbare stoffelijke verandering. Of ook is de eene of de andere der de zenuwwerking van het ademhalingsbedrijf överbrengènde schakels de zitplaats van organische veranderingen.

$ 413. d) Een kwaadsappig bloed kan ongeschikt zijn, om de ademhalingswerkzaamheid op te wekken, of de wisselwerking met de dampkringslucht aan te gaan en daardoor oorzaak der dyspnoea worden.

§ 414. Het gevoel van belemmerde ademhaling moet van de objective dyspnoea onderscheiden worden. Wij hebben reeds boven op den zamenhang van dit gevoel met de leiding naar de hersenen en met den toestand derzclve de aandacht bepaald. Is de opwekbaarheid der geleidende zenuwen of der hersenen afgestemd, dan wordt het moeijelijk ademen geringer, en hieruit verklaart zich de verligting, die vele lijders van deze soort van het gebruik van narcotische middelen ondervinden; deze verklaring is zeker juister, dan die van Laennec, dat door de narcotica de behoefte om te ademen verminderd wordt. Daartegen spreekt ook reeds de ondervinding, dat zeer vaak na deze oogenblikkelijke verstomping der opwekbaarheid door narcotica de moeijelijke ademhaling weder des te heviger in hare regten treedt.

Piaber, D. de tussi morbosa. Tub. 1590. — Hierovujs, D. de nat. et cur. tussis. Viteb. 1595. — Dissertat. de tussi: Pavius (L. B. 1604); Aeciiter (Basil. 1615); Schoenfeld (Lips 1618); Wudholz (Basil. 1625); Fabricids (Rostoch, 1626); Zeidler (Lips. 1631). — Mebj.et, Paradoxa de tussi. Par. 1605. — Lange , D. de tussis natura et cura. Lips. 1655. — Dissertat. : Vogier (Helmst. 1667); Friesen (Lips. 1667) ; Reiland (Giess. 1679); Liiiprecht (L. B. 1675); Metzger (Tub. 1676); Wedel (Jen. 1678); Graüsids (Jen. 1678); Thile (Viteb. 1685); Eïselius (Erf. 1699); Speriing (Viteb, 1708); Goll (Argent. 1710); Stein, De tussi stomachali humida. Argent. 1749. — wlnther, De tussi stomacli. etc. Marb. 1710. — Hai.ler (Goett. 1749). — Büciiner, D. de tussi humida epidemica morb. praecavente. Hal. 1765. — Bedekind , D. de tussi in genere etc. Rintel. 1766. — strack . Diss. (Mogunt. 1771). — Fink, D. de eo, ijuod tussi proprium est et commune. Bamb. 1779. — Tan der Bilen , D. de tussi in genere. Lovan. 1785. — Ver. veer, Theses de tussium varietate. Duisb. 1785, — Nürnberger, D. observationes sup, tuss. Viteb. 1783. — Ittner, D. (Mogunt. 1784); Keck (Mogunt. 1784).— W.Kriher, Unters. über die nachste Ursache des Hustens mit Bez. auf d. Lehre v. Athemliolen etc. Herausg. v. F. Nasse. Lpz. 1819. — J. Frank 1. c. Part. II. Vol. II. Sect. I. S. 795. — Copland, Encyclop. Wort. Bd. V. — Stark, Allg. Patb. S. 885.

§ 415. IIoest is eene in stootsgewijs herhaalde, klinkende, heftige uitademingen bestaande terugwerking van de bewegingsterugkaatsing der beweegzenuwen van de ademhaling (luchtbuizen, middelrif, borst- en buikspieren) op de ziekelijke opwekking dier beweegzenuwen.

§ 416. Door den hoest worden met geweld de in de luchtcellen, luchtbuizen , en met dezelve in verband staande holten bevatte lucht en vloeistoffen naar boven gedreven en uitgeworpen; men noemt dezelve fluimen en

HOEST.

»■>

Sluiten