Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennen; maar de voorzigtige diagnosticus herinnert zich, dat dergelijke bij— mengselen door het loslaten van den wijnsteen der tanden, van het verdigt slijm uit de kliergroeven der amandelen, door het overschot van spijzen, die in den mond gebleven zijn, kunnen ontstaan.

§ 446. Voor de naauwkeurige kennis van de microscopische en scheikunkundige kenmerken der fluimen blijft nog veel te doen over. J. Vogel beschrijft als microscopisch herkenbare beginselen der fluimen: cellen van pleisterepithelium en cylinders van cylinderepithelium, etterligchaampjes, tusschen- of overgangsligchaatnpjes tusschen de epitheliumcellen, wimpercylinders en etterligchaampjes, Gluge'sche ontstekings- of uitzweetingskogeltjes, kleine korreltjes van xsss—5öW> die door azijnzuur niet opgelost worden , velen houden deze voor tuberkelstof, waarmede ik naar mijne onder» zoekingen niet kan instemmen, daar ik ze even vaak in eenvoudig catarrhale fluimen heb gevonden. Vogel houdt het voor mogelijk, dat zij ontbondene bloedligchaampjes zijn. Eindelijk vindt men, volgens Vogel, in de fluimen ook nog bloedbolletjes, vetblaasjes, zouterystallen, geronnen slijm, eiwitstof, verscheidene vreemde ligchamen van overblijfselen van spijzen, b. v. broodkruimels, spiervezels; in vele gevallen zelfs brokstukken van de zelfstandigheid der long en. (1)

(1) Wij nemen in het vdtgende nit het werk van Vogel: »Anleitung zum Geh ranch des Mikroscops," de methode der microscopische onderzoeking der fluimen over, in welke aangetoond is, hoe zij naar het tegenwoordig standpunt der wetenschap als teeken van ziekte kan gebruikt worden.

»Men brengt een weinig van de fluimen op den objectdrager, dekt een glasplaatjc daarover en onderzoekt bij eene 200voudige vergrooting. Vertoonen de fluimen verschillende streken, die in kleur, vastheid enz. van elkanderen afwijken, dan moet men elk dezer streken afzonderlijk onderzoeken. — Men herkent de onveranderde epitheliumcellen dadelijk aan hunnen eigenaardigen vorm en let op, of het pleisterepithelium, of cylinderepithelium is. Men weet j dat het eerste uit de mondholte, het laatste uit den neus, de luchtpijp of de luchtbuizen komt. Even zoo laat zich de hoeveelheid der epitheliumcellen vrij naauwkeurig berekenen. Gewoonlijk ziet men buiten de epitheliumcellen alleen nog vetdroppeltjes en etterligchaampjes; men lette op derzelver hoeveelheid. — Bij de regelmatige fluimen , d. i. in die van catarrhus en eenvoudige prikkeling van het ademhalingsslijmvlies, ziet men veelal verder geene ligchamelijke deeleu , somwijlen nog primitive spierbundeltjes , — overblijfselen van de spijzen des lijders, die tusschen de tanden zijn blijven hangen. Het slijm maakt men daardoor zigtbaar, dat men er azijnzuur bijvoegt; dan stolt het en vormt onder het microscoop vormelooze massas, die de overige ligchamelijke deelen insluiten, aldus kan men ook ongeveer deszelfs gehalt bepalen. Zoo er mogelijk nog eiwit in aanwezig was, herkent men dit door de bijvoeging van salpeterzuur, dat het slijm niet vast maakt; het eiwit stolt daardoor en vormt ongevormde, fijn gekorrelde streken van eene bruinachtig* kleur. — In de fluimen bij luchtbuisontsteking zijn gewoonlijk de epitheliumcellen verdwenen en door etterligchaamrjes vervangen, die men vooral daaraan herkent, dat hunne omkleedselen door het toevoegen van azijnzuur verdwijnen en hunne kernen te voorschijn komen. Men lette in zulke gevallen inzonderheid op den vorm, dien de opgehoopte etterbolletjes vertoonen. Soms vormen zij groote onregelmatige massas, wier doorsnede verscheidene lijnen bedraagt soms smalle strepen van 1/30—1/40"' in doorsnede. Men kan daaruit met vrij veel zekerheid tot de zitplaats der luchtbuisontsteking besluiten : in liet eerste geval zijn meer de groote Inchtbuistakken, in het tweede hunne kleinere verdeelingen de zitplaats der afscheiding. — Geheel verschillend zijn de fluimen in de longontsteking. Hier ontdekt men in het eerste tijdperk zoo lang de fluimen roestkleurig zijn, gemeenlijk bloedligchaampjes, die soms afzonderlijk in het vocht zweven, soms met hunne randen aaneenklevend, reeksen, regels (niet zuilen als in ge-

Sluiten