Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheelen luchtbuisboom uit; dit neemt men voornamelijk slechts bij die luchtbuisontsteking waar, welke verschijnsel is van typheuse koortsen of van andere ziektebedrijven; zelden zijn ook beide longen te gelijk aangetast.

§ 493. Op den laagsten trap van den vochtstilstand vormt de opspuiting onregelmatige, rooskleurige, nergens duidelijk omschrevene vlekken, en de haarvaten zijn nog voor de inspuitingen gangbaar. Spoedig vertoonen zich enkele meer vermiljoenroode punten, het bleekrood vaatnet wordt donkerder en breidt zich meer in de diepte uit; een digt haarvatennet is nu ook in het uitwendig vlies van den luchtbuistak en in het naburig celweefsel merkbaar. De talrijker wordende vermiljoenroode punten vloeijen eindelijk ineen , de kleur van het slijmvlies wordt gelijkmatig, het neemt eene ongelijke, fluweelachtige hoedanigheid aan; de bovenste laag van het slijmvlies wordt thans drooger, is meestal eens zoo dik als te voren, kan niet in lapjes afgetrokken worden, is ligt scheurbaar en verweekt. In dezen graad der ziekte vindt men eene ligte zuchtige zwelling onder het ontstoken slijmvlies en in het celweefsel, dat de buitenvlakte der luchtbuis omgeeft, waardoor meestal de ontsteking der luchtbuizen van het niet mede aangetast eigenlijk weefsel der long afgescheiden wordt. De roodheid van het slijmvlies is soms helder, soms donker, violet, purperkleurig, bruin. Laennec heeft de opmerking gemaakt, dat roodheid en verweeking van het slijmvlies der luchtbuizen na typheuse en andere acute toestanden des te aanzienlijker zijn, hoe later na den dood het lijk geopend wordt en hoe grootere vorderingen de ontbinding reeds gemaakt heeft. Over het geheel is de verweeking van het slijmvlies het meest in het oogloopend bij metastatische luchtbuisontstekingen, maar klimt nooit tot die hoogte als die van het slijmvlies der maag en der darmen. De bij uitslagziekten voorkomende luchtbuisontsteking strekt zich volgens H. W. Burrels van het bovenste gedeelte der luchtpijp tot in hare kleinere vertakkingen uit als eene gelijkmatige, zamenhangende, oppervlakkige , levendige roodheid, gelijk men ze bij de roos ziet; bij pokken en mazelen vindt men het hier en daar met vlekken bedekt, waarop zich puisten of knobbeltjes gevormd hebben.

§ 494. De verdikking neemt gemeenlijk het slijmvlies- of onderslijmvliesweefsel in, en in de kleine luchtbuisjes ontstaat daardoor toesluiting hunner holte. Jn slepende gevallen is gelijktijdig met de hypertrophie dezer weefsels ook dat der kraakbeenige ringen meer ontwikkeld en door een roodachtig, op spierweefsel gelijkend weefsel omgeven; hierdoor verliezen óf de luchtbuizen haar vermogen van wederstand en worden ten gevolge daarvan verwijd, óf de slepende luchtbuisontsteking brengt eindelijk vernaauwing en volledige sluiting der luchtkanalen te weeg.

§ 495. De vochtstilstand van het slijmvlies der luchtbuizen veroorzaakt vaak rondachtige, erwtgroote, oppervlakkige invretingen, waarbij zich het slijmvlies om de uitlozingsbuizen der aanvankelijk korrelig opgezwollene slijmvliezen verweekt en loslaat. Gendrin nam kleine abscessen van de grootte eener erwt onder het slijmvlies en op de uitwendige oppervlakte der luchtpijpstakken van den tweeden rang waar, welke waarschijnlijk slechts verweekte luchtbuisklieren waren (1).

(1) Anatomische Geschichlc Jer Entzündung, iibers. von RadiI'S, I, S. -iji.

Sluiten