Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maai vaak zeer kwalijk riekendj somwijlen verliezen zij weder eenen tijd lang den slechten reuk, en deze afwisseling hunner eigenschappen vertoont zich dikwijls zeer vaak , zonder dat er een bepaalde reden daarvoor te vinden is; ook zijn deze fluimen verschillend gekleurd; hunne hoeveelheid kan in 24 uren van eene zeer kleine hoeveelheid tot 2 en 3 pond verschillen. Bij ingespannen bewegingen geraken deze zieken ligt buiten adem. Dikwijls verdwijnen de hoest en de fluimlozing in het warme jaargetijde , of nemen aanzienlijk af, en eerst des winters keert de oude ziekte weder. Deze matige graad van slepende luchtbuisontsteking kan eindelijk in slepende colliquative slijmvloeijiug der luchtbuizen (phthisis pituitosa) overgaan; het gewoon beloop der ziekte kan door tusschentijden van acute verheffing van den vochtstilstand worden afgebroken; dan voegen zich koortsbewegingen bij de plaatselijke verschijnselen. De teekenen uit de auscultatie zijn dezelfde als de boven in de algemeene beschrijving der verschijnselen opgegevene.

Dikwijls gaat passive bloedovervulling van het bindvlies met slepende luchtbuisontsteking van oude lieden gepaard.

§ 526. Eene verscheidenheid van de slepende luchtbuisontsteking is het zoogenoemde:

6) ASTHMA HUMIDUM, ASTIDIA HUMORALE.

De belemmering van de ademhaling, die de slepende luchtbuisontsteking vergezelt, en gewoonlijk in onbepaalde tusschenruimten hevig wordt, klimt op zekere tijden, meest des morgens bij het ontwaken, lusschen 2—4 ure, of des morgens en des avonds, tot eenen wezenlijken aanval van aamborstigheid; de zieken ontwaken plotseling met hevige stikkende benaauwdheid , een zamensnoerend gevoel belet hen te ademen, de borst rijst niet op, zij rigten zich op, springen uit het bed, snappen met uitgerekten halsnaar lucht, hun gelaat wordt loodkleurig, de ledematen koud, de pols wordt klein, zamengetrokken. Gedurende den aanval hoort men op geen gedeelte der boist het celademen; dit is overal door eenen snorkenden of fluitenden rhonchus vervangen, die zich tegen het einde van den aanval eerst in rhonchus subcrepitans en daarop in rhonchus mucosus verandert. Somwijlen komt de aanval ook dadelijk na den maaltijd op. Na korteren of langeren duur -san dezen krampaanval (van eenige minuten tot een half uur) komt de hoest op, en de zieke werpt dikwijls slechts zeer weinige, parelkleurige, 8'ü7e> glasachtig-slijmige , eiwitaardige fluimen uit (Laeskec's catarrhe sec), of er wordt eene groote hoeveelheid etterachtig slijm opgehoest of opgekoord. Deze slijmhoest kan verscheidene uren aanhouden. Hierop voelt de zieke zich vrijer op de borst, en bevindt zich over dag vrij wel. Bij vochti" weder keeren de aanvallen menigvuldiger terug, bij droog weder blijven zij vaak weken lang en nog langer uit, elke verkouding kan eenen aanval te weeg brengen.

7) BRONCHORRHOEA CHRONICA COLLIQUATIVA, BLENNORRHOEA PULMONÜM; PHTHISIS PITUITOSA; SLIJ3ITERING.

§ 527. Wordt de afscheiding in de luchtbuizen zoo groot, dat het langs dien weg plaats grijpend vochtverlies van lieverlede de krachten des lijders

Sluiten