Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootte eener noot tot die eener vuist kunnen 'hebben, gewoonlijk minder aanzienlijk zijn, geene scherpe afperking door een de holte omkleedend vlies of eene laag vezelstof hebben, maar slechts door een breiachtig, verweekt met etter doordrongen longweefsel, dat gedeeltelijk met vlokken in de holte afhangt, omringd zijn. Verder naar buiten van de wanden van het absces wordt de longzelfstandigheid weder vaster. Door voortgezette vervloeijing der verweekte wanden kan de holte zich vergrooten; een of meer luchtbuistakken kunnen in dezelve inmonden en de longontsteking aldus in zwerende longtering overgaan.

§ 612. In de werken der schrijvers voor Laennec leest men ook veel van " den uitgang der longontsteking in versterving. Deze is echter een nog zeldzamer verschijnsel dan de abscesvorming. Het eigenlijk koudvuur der longen is eene van de longontsteking geheel verscheidene en volkomen onafhankelijke ziekte. In kwaadsappige individus kan zeker ook op enkele plaatsen van gehepatiseerde longen in plaats van den gewonen'gelen etter de vormirigsstof in eene meer ichoreuse, grijze vloeistof veranderd en daardoor het langweefsel in eene blaauwachtig grijze uiterst stinkende pap ontbonden worden. Zulk een gesphaceleerde detritus is niet duidelijk omschreven, de in het gehepatiseerd weefsel gevormde holte is met eene halfvloeibare, breiachtige, vuilgroenaehtig, of bruine, gele stinkende massa gevuld; vlakken grijsachtig of groenachtig gesphaceleerd longweefsel hangen in de holte af, de vaatvertakkingen van het omliggend longweefsel zijn met eenen zeer weeken, vuil gelen prop gevuld, de luchtbuistakken komen met opene uiteinden in de verwoeste plaats uit en door dezelve wordt in gelukkige gevallen de gesphaceleerde massa naar buiten ontlast (2). Maar gewoonlijk eindigt deze verwoesting zeer spoedig doodelijk. Gendrin werpt de vraag op, of deze versterving der longen niet met hospitaalversterving moet gelijk gesteld worden.

§ 013. Een andere uitgang van de acute longontsteking, die vaak nog in het tijdperk der genezing voorkomt, is de weiachtige infiltratie van het celweefsel van de oorspronkelijk lijdende of van beide longen (acute zuchtige zwelling der longen). De uitgestorte wei is in dit geval gewoonlijk troebel, kleverig, meer of minder met bloed of met stolbare stofFen gemengd (3).

§ 614. Uit de belemmering van den bloedsomloop en van de bloedmaking door den bloedstilstand in een grooter of kleiner gedeelte van het loiïgweefsel, ontstaan noodzakelijk secundaire veranderingen in andere deelen, wier overblijfselen men in verschillende uitgebreidheid in de lijken der aan longontsteking gestorvenen aantreft. De bloedmassa, die niet tneer volledig door de longvaten kan rondloopen, hoopt zich in het aderstelsel, in

(1) Eene eigenaardige bijsoort van verettering van het geheel tasschen de kwabben en tussehen de cellen liggend celweefsel van het longweefsel, zoodat eene volkomene afscheiding der door etterachtige massa omgevene lapjes en blaasjes ontstond , en de geheele longkwab eene druifvormige gedaante had, nam Stokes waar (Vorles. iib. d. Heilung der inneren Krankheiten. Deutsch v. Behremd. S. 523).

(2) Verg. Hasse t. a. p. p. 501.

(3) Verg. Hasse t. a. p, p. 510.

Sluiten