Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmerkt, vindt men in plaats van het stolbaar gehepatiseerd voortbrengsel onder verschillende omstandigheden, soms weiachtige, vlokkig troebele, soms geleiachtig-kleverige , soms weiachtig-etterachtige , en zelfs ichoreuse infil tratien, de longen wankleurig, verweekt, op de milt gelijkend (1).

^ 616. De tot dusver beschrevene ontleedkundige kenmerken der longontsteking behooren tot dien vorm, in welken, naar ons gevoelen, de vochtstilstand en de nederlegging van deszelfs voortbrengels niet enkel in de luchtcellen, niet enkel in het celweefsel tusschen de longblaasjes, maar in beiden, in het geheele weefsel der long plaats grijpt. IIokitaksky's gevoelen, dat alleen de wanden der luchtcellen de zitplaats van deze soort van longontsteking, dat zij een croupachtig proces op het slijmvlies der longen zou zijn, komt ons op geenerlei wijze aannemelijk voor. Als hoofdbewijs voor zijne meening, voert Rokitansky aan, dat, wanneer het tusschenliggend weefsel met etter doordrongen was, geene genezing van het derde tijdperk zonder absces en scheiding van den zamenhang mogelijk zou zijn, terwijl toch werkelijk genezing enkel door fluimlozing en opslorping vaij de'gesmoltene uitzweeting ook zonder zwerende verwoesting plaats grijpt en het sponsachtig celachtig maaksel der long onverzeerd blijft (t. a. p. S. 91). Hiertegen kan men inbrengen, dat de longontsteking zelden den derden graad (dien van etterachtige infiltratie) bereikt, zonder doodelijk te eindigen ; dat ook in andere weefsels de ontstekingachtige vormingsstof zonder verzwering en abscesvorming door enkele opslorping verdwijnt; intusschen zijn wij ook van meening, dat de longcel bij voorkeur de zitplaats van de gevormde stof der ontsteking is, omdat over het geheel in het zamengedrongen tusschenliggend weefsel der long weinig ruimte voor hare nederzetting bestaat. Als een waar croupachtig proces der longcellen met de omstreken van het tusschenliggend weefsel erkennen wij daarentegen de zoogenoemde vesiculaire longontsteking. Men treft namelijk gevallen aan van longontsteking, na wier doodelijken afloop men op de donkerroode doorsneêvlakte van het ontstoken deel eene menigte kleine, roodachtig of geelachtig witte, gierstkorrelachtige, speldenknop- tot erwtengroote, vetwas-talkaardige, meer of minder weeke korreltjes verstrooid of groepsgewijze nedergelegd ziet; het longweefsel is om deze ligchamen teruggedrongen en een weinig verdigt; somwijlen met wei doortrokken; zeer vaak zet zich het talkaardig en schijnvliesachtig uitzweetsel ook in de roodgekleurde luchtbuizen voort. Deze soort van longontsteking kan men bij dieren zeer gemakkelijk kunstmatig door dikwijls herhaald inbrengen van prikkelende gassoorten (chloorgas), van gypspoeder of vloeibaar kwikzilver in de luchtbuizen, in de aderen voortbrengen (2); deze korrels zijn onder den naam van de IJiVLESche granulatien bekend en een gewigtig onderwerp voor geschillen ; daar sommigen

(1) Als eene in het oogloopende bijsoort beschrijft Rokitansky de geleiachtige infiltratie (t. a. p. S. 99). — Uitstorting van een kleverig, somwijlen op kikkerschot gelijkend vocht in de luchtcellen, — dat men vaak henevens tuherkels, of daar, waar oorspronkelijk of ten gevolge van pas plaats gehad hebbende groote uitzweetingen, stolbare stof ontbreekt, zou zien voorkomen.

(2) Terg, Gesdbis t. a. p. Bd. II. S. 245. rolgg.

Sluiten