Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met Asdral en Gesdri.v dezelve voor het voortbrengsel van de ontsteking der luchlcellen; anderen met Laessec en Louis voor de kiemen der tuberkels houden (1). Rokitasskt maakt een einde aan dien twist met te zeggen, dat deze granulatien onbetwistbaar het voortbrengsel van ontsteking zijn, maar dat zij als ontstekingsvoortbrengselen zeker ook onder bijzondere omstandigheden het karakter van tuberkelstof kunnen aannemen en alsdan de tuberculeuse infiltratie van eene longcel uitmaken. Dit gevoelen omtrent dit punt dunkt mg ook bet eenige juiste te zijn; voor het croupachtig karakter der ontsteking spreekt toch inzonderheid het op zichzelf staand voorkomen der uitzweeting in de longcellen , de op vetwas gelijkende hoedanigheid der uitgezweete stof, de niet zelden plaats grijpende verdere uitbreiding van deze laatste in de luchtbuisvertakkingen, en eindelijk het volstrekt niet ongewoon voorkomen van dezen vorm in den kinderlijken leeltijd. Geheel velschillend van deze korrels zijn de granulatien eener rood gehepatiseerde long; zij zijn zeer klein, vaak slechts met de loupe zigtbaar, omdat de met vorm ingss tof opgepropte cellen der longen ook nog door het met vormingsstof opgevuld tusschenliggend weefsel worden zamengedrukt; terwijl hier de ontstokene afzonderlijke blaasjes, ruimte hebben om zich te ontwikkelen en uit te zetten.

§ 617. Dikwijls heeft de vochtstilstand zijne zitplaats in verscheidene kleine verstrooide longkwabjes, en de tusschenliggende kwabjes zijn niet mede aangetast. Men heeft deze soort van longontsteking, lobulaire longontsteking genoemd ter onderscheiding van lobaire longontsteking, waarin de grootere kwabben der longen, gedeeltelijk of geheel zonder afbreking vau den° zamenhang, de zitplaats der ontsteking zijn. De ontstekingskernen der lobulaire longontsteking verschillen van de grootte eener erwt, tot die eens appels. Deze ontstekingskernen, soms rood, soms grijs of vuil geel van kleur, nog digt of reeds tot pap (zeldzaam tot vloeibaren etter) verweekt, vaak in den vorm van eene menigte kleine abscessen (lobulair-abscessen) geven aan de doorsneêvlakte der long door het afsteken bij de daar tusschen verstrooide gezonde deelen een eigenaardig aanzien; onmiddellijk om den ontstekingskern is het longweefsel nog eenige lijnen ver rood of grijs gehepatiseerd. Hasse vond in de meeste gevallen de takken der longslagader, welke naar de zieke gedeelten leidden , met vast geronnen bloed of met een aanhangend bleek bruinachtig vezelstofstremsel gevuld. De lobulaire longontstekingen zijn meestal gevolgen van aderontsteking, van overgang van den etter of van andere vreemde stoffen in de bloedmassa, en ontstaan gewoonlijk uit den stilstand der de bloedligchaampjes in grootte overtreffende vreemde deeltjes in de fijnste haarvaten der longen. Hasse merkt aan, dat alleen in die gevallen , waar zoogenoemde goede etter in de bloedmassa was overgegaan , de lobulairabscessen eene gele kleur vertoonen; wanneer de etter slecht, ichoreus is, zoo als bij kanker., zijn de verstopte streken in de longen vuil grijs of bleek bruinachtig, de ontstekingachtige terugwerking in het omliggend weefsel is aanzienlijker, en de geheele streek sterker ver-

(1) Gixgk heeft de kunstmatig door inspuiting van kwik in de strotaderen van honden voortgebragte korrels microscopisch onderzocht, en vond re enkel en alleen uit zijne zoogenoemde outstekingskogelt|es zaroengesteld (Anat. mieroseop. Dntersnchungen etc. H. 1. S. 59).

Sluiten