Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weekt (1). Deze vorm is ten opzigte van de herkenning zeer gewigtig, oVn« dat zij in vele gevallen rrioeijelijk te herkennen is.

§ 618. Nu is er nog eene menigte van voedingsafwijkingen in het eigen weefsel der longen, die zich niet goed onder de tot dusver beschrevene vormen laten rangschikken en die gewoonlijk onder de rubrik van slepende longontsteking zamengevat worden. De hier heerschende verwarring maakt het juist regt duidelijk, hoe moeijelijk het wordt, om tusschen de zoo veelsoortige en voor zoo velerlei verklaringen vatbare verschijnselen in het lijk den verbindenden draad te vinden en de taal van het doode overschot in de taalsdes levens over te zetten. Eerst aldus de daadzaken! Na vele slepend •verloopende gevallen van longlijden vindt men een deel, eene kwab, eenen geheelen vleugel der longen rood of grijs gehepatiseerd, niet zoo zeer murw en week, maar digt en verhard. Andbal heeft dezen toestand roode en grijze longverharding genoemt en is van gevoelen, dat het in het begin ontstekingachtig verweekt weefsel, wanneer de vochtstilstand, in plaats van zich te verdeelen, slepend wordt, zich van lieverlede verhardt. Moest men echter, zoo dit gevoelen juist was, in het beloop dezer gevallen niet ook jiaauwkeurig de tijdperken van verweeking en verharding (van den acuten en slependen vorm der longontsteking) kunnen onderscheiden? In alle ons bekende gevallen van deze soort van longontsteking was het beloop der ziekte van het begin af tot aan het doodelijk einde langzaam en klimmenderwijze toenemend , niet in het begin acuut en later eerst slepend. Ook is liet zeer onwaarschijnlijk en in tegenspraak met alle andere waarnemingen dat eene zich over eenen geheelen longvleugel uitstrekkende grijze verweeking 3nders dan doodelijk eindigt. De grijze verharding neemt nu somwijlen , eenen geheelen longvleugel en zelfs nog een gedeelte der andere long in (zoo als ik zelf het gezien heb) en het is vaak onbegrijpelijk, hoe de zieke met het gering overschot van knetterend weefsel konde leven, zoodat het ■voortbestaan des levens bij eene zoo ver verbreide ontaarding alleen door van lieverlede voortgaande langzame ontwikkeling daarvan verklaarbaar wordt. Gendrin beschrijft de roode en grijze verharding op de volgende wijze: »In den toestand der roode verharding is het weefsel der long verdigt, hard, vrij moeijelijk scheurbaar, en vertoont geene korrels meer. Er vormt zich eene gelijkaardige, zeer droogc massa, die geelachtig, bruinachtig, hier en daar zelfs zwartachtig rood is, en op enkele plaatsen witte, harde, veerkrachtige strepen vertoont, die óf van de tusschenwanden der cellen óf van verdikte en verharde takken der luchtbuizen afkomstig zijn. Zeer zelden vindt men de longen slepend ontstoken, zonder gelijktijdig benevens de roode verharding ook knobbels of grijze verharding aan te treffen. De grijze verharding onderscheidt zich van de roode alleen door mindere digtheid en schijnbaar volkomener gelijkaardigheid? des longweefsels. De overgangsplekken van de eene in de andere zijn door roestkleurig gele gemarmerde plekken aangeduid. Beide deze graden van longontsteking zijn zeer zeldzaam zonder tuberkclachtige, gierstkonelvormige zaïnengroeisels op grootere of kleinere plekken der longen aanwezig; wij hebben ze zelfs nooit

(1) T. a. p. S. 4G2.

Sluiten