Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 647. Bij oude lieden, die aan hypertrophie van het hart en verbeening der slagaderen lijden, neemt de pols vaak eene hardheid en wederstand aan, die men niet voor bewijzen van synocha mag houden. Menigvuldigheid van den pols, die nog nablijft, wanneer reeds alle verschijnselen der longontsteking verdwenen zijn, laat vreezen, dat de long nog niet geheel vrij is, en is voor den geneesheer eene vermaning tot voorzigtigheid.

§ 648. De zoogenoemde ontstekingskorst, die zich op het uit de ader gelaten bloed van lijders aan longontsteking vormt, heeft haren oorsprong in het vermeerderd vezelstofgehalte van hetzelve en in het langzamer stollen. Wij zullen, waar wij over de behandeling der longontsteking zullen spreken, intusschen zien, dat ook deze door de ouden met den naam van crusta pleuritica bestempelde laag vezelstof niet standhoudend is, en in verschillende tijdruimten bij een en hetzelfde door longontsteking aangetast individu aanwezig kan zijn en ontbreken.

§ 649. De tong is gewoonlijk witachtig of geelachtig beslagen; ^ bij zeer groote koortshitte worden tong, lippen, gehemelte droog, zelfs bruin. Eene belegde tong, slechte smaak, neiging tot braken en braken kunnen bij longontsteking voorkomen, zonder dat deze toevallen anders dan van eenen consensuelen aard zijn, en dus ook voor de ontstekingwerende behandeling alleen wijken. Bij Hippocrates vindt men de volgende hiertoe betrekkelijke opmerking: » In pulmonis inflammatione, si lingua tota alba fiat, et aspera, ambae pulmonis partes inflammatione vexantur: quibus vero dimidiata lingua, qua id apparet, inflammatio afïligit."

Oorzaken en in oorsprong verschillende soorten van de longontsteking.

§ 650. De longontsteking is eene ziekte, die geenen leeftijd verschoont; zij sleept niet minder een groot aantal offers in de vroegste kindsheid, dan in den lateren hoogen ouderdom mede. De acute longontsteking komt het veelvuldigst van het 17de tot het 50ste jaar voor (1). Het mannelijk ge* slacht is aan longontsteking vaker onderhevig dan het vrouwelijk, en de evenredigheid is zelfs ongeveer van 2:1, waarvan de reden deels in de bezigheden der mannen ligt, waardoor zij meer aan den invloed der opwekkende oorzaken zijn blootgesteld, deels ook in het oorspronkelijk grooter ■vezelstofgehalte van hun bloed, dat ligter tot eenen ziekelijken overmaat vermeerderd wordt (2). t

cido, frigido, inaeijuali sudore comitantur; oculi sunt torvi, Cxi et inilammati, os inflatum et fcre lividum; atque haec cuucta subito excipit stupor, delirium; et ijuosdam (licet profecto paucos) vidi , ubi perfecta incideret paraplegia."

(1) Volgens Crcveilhier stierven § der oude vrouwen in de Salpetrière aan longontsteking. Volgens Briquet (zie ook Pelletan) is bet tijdperk van de grootste menigvuldigheid der longontsteking tusschen het 17de en 50ste jaar; veel minder gewoonlijk is zij van 50 tot 60 jaren; van de 60 tot de 70 jaren wordt zij weder menigvuldiger.

(2) Reeds AcREEiANrs kende de grootere voorbeschiktheid van bet mannelijk geslacht tot longontsteking , en men moet zich over Schmiiitjiahn's bewering verwonderen, volgens welke de ziekte even veelvuldig bij mannen en vrouwen is. De opsommingen van Louis, Bkiqeet, Pkilbtan stellen de zaak buiten twijfel.

Sluiten