Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groeijingen zonder hinder. Maar zij kunnen ook de vrije beweging en uitzetting der longen verhinderen en daardoor spanning, pijn, onvermogen om de borst uit te zetten, kortademigheid, later wegens de gebrekkige ademhaling zelfs tuberkelzucht te weeg brengen.

§ 678. 6) De doodelijke uitgang der longontsteking kan in elk tijdperk derzelve plaats grijpen, en dat wel door verstikking, longverlamming, door hersendrukking (beroerte), of door de uitgangen in ettering , koud vuur enz. Somtijds eindigt de ziekte vroeger doodelijk, dan men naar de geringe uitgebreidheid van den in de lijken aangetroffen vochtstilstand zou hebben kunnen vermoeden. Rokitassky schrijft aan de zoogenoemde bloedstollingen in het hart en de vaten een groot aandeel aan dezen afloop toe. Crdveiluisr zag dikwijls bij door longontsteking aangetaste bejaarde lieden, door de toesluiting der slagaderen met bloedklompen gangraena senilis ontstaan.

Voorspelling.

§ 679. De voorspelling rigt zich: 1) naar de verschijnselen en den graad der sieite; zij is betrekkelijk gunstig, wanneer de belemmering van de ademhaling matig, de ontsteking beperkt is, wanneer de pijn van plaats verandert, wanneer de natuurkundige kenteekenen van hepatisatie, dofheid van den percussieklank, gebrek aan ademhalingsgeftiisch of luchtbuisstem voor eenen helderen klank en het terugkeeren van de reutelgeluiden en van het celademen plaats maken, wanneer de fluimen catarrhaal (gekookt) worden , de pols regelmatig en tamelijk sterk, de algemeene toestand der krachten goed, het hoofd vrij is. Vroeg verschijnende fluimlozing heeft gewoonlijk eene goede beteekenis; meest wordt zij eerst tegen den 4den dag der ziekte menigvuldiger; zoo ook is een matig, algemeen, dampend zweet op den 4den of 7den dag, wanneer tevens de plaatselijke of koortsige verschijnselen nalaten, gunstig. Maar hoe grooter de belemmering van de ademhaling is, des te grooter is het gevaar. Erg is het, wanneer de zieke slechts in eene zekere ligging, bij eene regtopzittende houding kan ademen (1), wanneer de benaauwdheid en beklemming tot eenen hoogen graad klimmen, wanneer de borstkas zich weinig of in het geheel niet verheft, en alle hulpwerktuigen van de ademhaling, buik-, hals-, gelaatsspieren, neusgaten werken, wanneer bij kinderen het borstbeen en de ribbekraakbeenderen naar binnen wijken, de zieke hijgend, zacht spreekt, de adem zeer heet of koud is, de fluimlozing plotseling stil staat, zeer taai blijft, of aschgraauw, bruin, stinkend wordt, wanneer op het gelaat, de borst en den hals gedeeltelijk zweet uitbreekt, wanneer de pols onregelmatig, nalatend, uiterst menigvuldig wordt, wanneer de koorts volstrekt geene nalating maakt, wanneer het gelaat eene bijzondere roodheid of een loodkleurigen aardvalen tint aanneemt, wanneer zich ijlen en slaapzucht, niet slechts gedurende de verheffingen des avonds, maar ook over dag vertoonen , wanneer de zieken bij het bestaan van de dadelijke teekenen van belemmerde ademhaling of orthopnoea uit verdooving, geen hinder op de borst meenen te voelen, wanneer het ademen rogchelend wordt enz. Even zoo is het een ongunstig

(1) » Qnodsi in morbi vigore aegrotns veilt residere, hoe in omnibus qniJew morbis malum est, pessimum vero est in peripneumonieis." Hippocrates.

Sluiten