Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloedvloeiingen zoekt men naar de bekende regelen weder te herstellen; uitwendige beleedigingen worden volgens heelkundige regelen behandeld.

$ 684. De gewigtigste aanwijzing is, de met bloed overvulde long zoo spoedig mogelijk van den last des bloeds te bevrijden, die als onmiddellijke prikkel op de longen werkt, die de oorzaak van de ontoegankelijkheid der luchtcellen is, en wiens verwijdering het zekerst den gevaarlijken voortgang der ziekte tot uitzweeting van vonningsstof in het longweefsel, tot hepatisatie voorkomt. Bloedontlasting is hier niet enkel iets ontstekingwerends, maar zij is het middel tot vermindering van den gewonen verrigtingsprikkel der longen (zij werkt als onthouding van lucht in oogziekten), weshalve de aanwending van de bloedontlasting in longontsteking veel uitgestrekter moet zijn, dan in iedere andere ziekte. Hoe korter na het eerste ontstaan der ziekte de aderlating verrigt wordt, des te werkzamer zal zich ook de eerste ontlasting betoonen.

^ 685. Zal de bloedontlasting hare werking tot op de longen uitstrekken , dan moet de ontlasting des vaatstelsels snel, in eenen grooten stroom, uit eene groote aderwond , zoo kort mogelijk bij de zieke long (zoo mogelijk op den arm der zieke zijde) (1), geschieden. De eerste aderlating moet niet minder dan 10, niet meer dan 20 oneen bedragen, men late het bloed vloeijen, totdat men uit de boedanigheid van den pols en van de ademhaling opmerkt, dat de aderlating merkelijk op den bloedsomloop heeft gewerkt, totdat de kleine onderdrukte pols voller en grooter wordt en de zieke verligting op de borst voelt. Bij sterke individus zette men de aderlating tot bijna, maar niet/geheel tot flaauwte zelve voort. Ten einde deze niet voor den tijd verschijne, verrigte men de aderlating, terwijl de lijder horizontaal ligt. De flaauwte is niet altijd een teeken, dat er genoeg ontlast is; zij verschijnt bij vele individus, zoodra zij de eerste droppels Jjloed zien; dikwijls verdragen zij de latere bloedontlastingen beter. Noch leeftijd, noch zwangerscnap (2), noch stondenvloed mogen ons van de door longontsteking vereischte aderlating terug houden, alle bijomstandigheden zinken weg bij de hooge noodzakelijkheid van de ontlasting van het werktuig ter ademhaling; ziekelijke tuberculeuse longen, teringachtige aanleg vermeerderen, gelijk Hcïelasd aanmaant, de aanwijzing tot aderlaten: «hier moet zelfs bij eenen geringen graad van ontsteking ten minste eene matige aderlating gedaan worden."

§ 686. Meestal volgt verligting op de eerste aderlating; echter is dit niet

(1) Reeds Ahetaeus wilde, dat men op beide armen Iegelijk eene ader zou openen; hem volgden Hdxiiah en andere geneesheeren, en in zeer hevige longontsteking zal ook zeker deze soort van ontlasting nuttig zijn. Volgens Reu moet men den lijder gedurende het uitvloeijen van het bloed regtop laten zitten, de voeten in warm water plaatsen , hem in eene koele lucht dikwijls cn diep laten inademen, ten einde de ontlediging der longen door hare beweging ondersteund worde, gedurende dien tijd zou men ook de ledematen met flanel kunnen wrijven. Bij vrouwen, waar de stonden te wachten zijn, zou men op de voeten moeten aderlaten; maar de aderlating op den voet blijft altijd iets onzekers. Bukserius wil, dat men bij overvulling der hersenen, bij verhinderde terugvloeijing des bloeds van het hoofd, bij ijlhoofdigheid, de slrotader opene.

(2) Schmidtbans verrigtte bij eene zwangere 7 aderlatingen; J. P. Fbauk opende bij eenen 80j»rigcn lijder de ader 9 malen.

Sluiten