Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd het geval. Koorts en pijn nemen na dezelve toe, of de toevallen bereiken weder hunne zelfde hoogte, ja, zelfs hebben 3 en 4 aderlatingen somwijlen nog niet de gewenschte werking, en er komt eerst beterschap na de 4de en 5de. Van daar de noodzakelijkheid van de herhaling der aderlating, en wel moet de werking der voorafgegane aderlating niet volkomen uitgedoofd zijn, wanneer de volgende verrigt wordt. Dit aaneensluiten van de werking der hier opeenvolgende aderlatingen kenmerkt Bociliand's voorschrift van de saigne'es coup sur coup (1).

§ 687. De volgende omstandigheden bepalen de noodzakelijkheid van de herhaling der aderlating: 1) de graad en hevigheid der verschijnselen van belemmerde ademhaling. Zoo lang de long met bloed belast is, kan zij niet ademen. Het zekerste middel om haar te ontlasten, is de aderlating, dus herhaling derzelve, zoo lang bij een gelijktijdig samenkomen van de verschijnselen van bloedovervulling en roode hepatisatie de ademhaling onvoldoende is. Knetterend of ontbrekend ademhalingsgeruisch alleen op eene plaats der long is niet voldoende, om omtrent de noodzakelijkheid van de bloedontlasting te beslissen. Deze natuurkundige verschijnselen blijven vaak in eenen beperkten graad nog lang gedurende het herstellingstijdperk na, en verdwijnen eerst door langzaam werkende opslorping. Zoo men zulk een alleenstaand verschijnsel tot beslissing van het al of niet voortzetten van de ontlastingen wilde kiezen, zou men vaak den laatsten droppel bloeds verspillen, zonder die verschijnselen te zien verdwijnen. Gewigtiger is de inachtneming van den graad der beklemming en belemmering van de ademhaling; hieruit kan men ongeveer met de verschijnselen der auscultatie en percussie berekenen, of zich een voldoend gedeelte der longen uitzet of niet. Deze plaatselijke verschijnselen bekleeden, als bepaling der bloedontlasting, den eersten rang; zij kunnen de aderlating dringend vereischen, al schijnen zij ook in tegenspraak met het karakter der algemeene terugwerking.

§ 688. Is de terugwerking synochaal, is de ziekte met hevige rillingen begonnen, is de pols hard, vol, de huid brandend heet, de pis levendig rood enz., zet het ontlaste bloed eene sterke laag vezelstof af, is de zieke sterk, bloedrijk, hebben de eerste bloedontlastingen vermindering der ziekte bewerkt, dan zijn deze alle gewigtige gronden, om den geneesheer niet zuinig te maken met het gebruik van het lancet. Maar geen dezer verschijnselen heeft waarde op zichzelf. Al ziet ook J. Frank met vele andere gelieesheeren de ontstekingskorst op het bloed als teeken aan, dat de aderlating was aangewezen (2), zoo geeft toch dit verschijnsel geene volmagt tot her-

(1) Boïillaüd doet des morgens den 1 sten dag eene aderlating van ^vj , des avonds van ^xij, in den tusschentijd worden 50 bloedzuigers of koppen op de zieke plaats gezet; op den 2Jen dag eene derde aderlating, en bij het voortduren van pijnen in de zijde herhaling der bloedzuigers. Op den 3den dag zijn reeds de meeste longontstekingen afgesneden (jugulées); maar houden de verschijnselen nog aan, dan eene vierde aderlating van ^xij — xvj. Zelfs longontstekingen in den tweeden graad houden zelden tot den 4den dag aan ; zelden zal nog eene aderlating noodig zijn. Eerst dan mag men de bloedontlastingen nalaten, wanneer koorts, belemmerde ademhaling en pijn, geheel verdwenen zijn. Voor ligte longontstekingen voldoen 3 aderlatingen, voor hevige kunnen 1 tot 9 noodig worden.

(2) Ik heb de ontstekingskorst ook bij reeds geheel anaemische voorwerpen zien ontslaan.

Sluiten