Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel, of zij langzaam of snel stolt. Dat alle uitgezweete stof in het begin vloeibaar is, daaromtrent tan geen twijfel bestaan; even als het uit de ader gelaten bloed soms sneller, soms langzamer stolt, geschiedt dit ook met deze vormingsstof; eene snelle stolling kan men daar vermoeden, waar b. v. het geheele borstvlies kort na het begin der ontsteking met eene schijnvliezige laag bedekt is; de stolling grijpt dan waarschijnlijk op het oogenblik der uitzweeting plaats, anders moest de gestolde stof op de lagere plaatsen der borstholte opgehoopt zijn. Op plaatsen , waar de uitgezweete stof langer blijft, op de vlakte van het middelrif, tusschen de longkwabben , lusschen de verdubbelingen van het borstvlies vindt men om dezelde reden meer gestolde stof, dan op de hooger liggende deelen van de long.

§ 111. Volgens dezelfde wet, volgens welke zich in het uit de ader gelaten bloed bloedkoek en wei scheiden , deelen zich in de uitgezweete stof van het ontstoken .jveivlies het stremsel en de niet stolbare bestanddeelen. Dikwijls komt de stolling eerst tot stand, wanneer het vocht door opslorping is weggenomen. De gestolde stof zet zich laagsgewijs op het weivlies der longen en der ribben af, deels zwemt zij in de gedaante van eiwilaardige vlokken en klompen vrij in de wei, soms zit zij in eilandsgewijze plekken op het borstvlies. Deze scheiding is een zuiver natuurkundig bedrijf, even als dat van de stolling des bloeds buiten de vaten; de schijnvliesafzettingen zijn tot dusver nog geen bewerktuigd voortbrengsel. De verschillende evenredigheid tusschen stolbare en niet stolbare uitzweeting berust waarschijnlijk op dezelfde gronden, als de vorming van eenen grooteren of kleineren, vasteren of weekeren bloedkoek; voornamelijk op den scheikundigen toestand der vochtmassa, op de hoeveelheid (en hoedanigheid?) der vezelstof enz. Hierbij zal mogelijk ook de snelheid der ademhalingsbewegingen invloed hebben, daar de beweging in eene vezelstof houdende vloeistof de stolling en afzetting van de vezelstof op het bewegend ligchaam, hier op het borstvlies, bespoedigt. Van daar ook de soms geleiachtige, soms eiwitaardige, digte of weeke vezelige hoedanigheid der gestolde stof. Bij aanleg tot waterzucht is de uitgezweete stof de zitplaats eener weiachtige- lijmachtige infiltratie (Rokitansky).

Nog voordat de stolbare uitzweeting begint bewerktuigd te worden, veroorzaakt zij soms door hare kleverigheid , het aaneenkleven der anders vrije zich tegen elkander wrijvende vlakten van de pleura der longen en die der ribben; binnen deze aldus gevormde aanhechtingen kan het vloeibaar gedeelte der uitgezweete stof bevat , als in eenen zak besloten worden.

De hoeveelheid van het in de borstvliesholte afgescheiden uitgezweet vocht (etterborst) is dikwijls zeer aanzienlijk en kan zelfs "8—20 pond bedragen, lletgeen van de verschillende hoedanigheid der uitzweeting in het algemeen gezegd is, geldt hier inzonderheid van haar vloeibaar gedeelte. Dit bestaat soms uit eene met bloedkleurstof gekleurde wei, of uit zuivere wei, vaker nit eene troebel-grijze, geelachtige, ettervormige , dikke, zeldzamer uit ichoreuse, kwalijk riekende, waarschijnlijk door het verschillend gehalte van bloedkleurstof op velerlei wijzen helderder of donkerder gekleurde vloeistof. De grond dezer verschijnselen moet nog opgespoord worden; IIasse houdt ze voor volstrekt individueel (1); maar hiermeJe is niet veel gezegd en als

(1) T. a. p. p. 258.

Sluiten