Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezwellen, door longversterving, die zich tot op het borstvlies voortplant enz. ontstaan.

Beloop en uitgangen.

§ 745. Acute pleuris loopt gemeenlijk in 4—7 dagen af en eindigt door zweet en crisis door de pis in genezing. Alleen wanneer de pleuris met luchtbuis- of longontsteking gepaard was, komen er eindèlijk sputa cocta voor. Slepende pleuris en etterborst hebben eenen langeren duur; om eene aanzienlijke pleuritische uitzweeting te verwijderen, heeft de natuur altijd 5 6 weken, soms maanden en jaren noodig; bijna altijd gaat de opslorping met vermagering en koorts gepaard, zoodat Hodgkin het ontbreken dezer laatste voor een teeken van het niet plaats grijpen der opslorping houdt (Andral houdt daarentegen de etterborst zonder koorts voor de gunstigste ter opslorping). De opslorping gaat vaak niet regelmatig door, maar maakt somtijds tusschenpoozen en wordt dikwijls door tusschenloopende ziekten van eenen anderen aard opgewekt (1). De natuurkundige teekenen van het afnemen der uitzweeting zijn: Helderder worden van den percussieklank, eerst onder het sleutelbeen en langzamerhand verder naar beneden; terugkeeren van het luchtbuisademen, vervolgens van bet celademen op deze plaatsen; het verschijnen der wrijvingsgeluiden; het inzakken van de borstwanden der aangedane plaats; de terugkeer der verdrongene deelen in hunne natuurlijke plaats. Somwijlen dringt thans de gezonde long het middelvlies naar de zamengetrokkene plaats over; terwijl men op den hoogsten trap van de etterborst den doffen percussieklank niet enkel tot de aangedane borsthelft beperkt, maar nog aan de andere zijde des borstbeens uitgebreid vond, kan het nu plaats grijpen, dat de klank der gezonde long zich tot in de zamengetrokkene borsthelft uitstrekt. In dezelfde mate neemt de belemmeïing van de ademhaling af, de zieke kan op de gezonde zijde liggen, de krachten keeren terug, enz.

5 746. De etterborst kan zich eenen weg naar buiten banen, en dat wel:

a) Door doorboring van de zelfstandigheid der long. De long wordt gewoonhjk niet op de laagste plaatsen, maar meest aan de henedenvlakte van de bovenste en middelste kwab doorgebroken, op plaatsen, die nog doordringbaar zijn gebleven. Hasse beschrijft het werktuigelijk beloop der doorbreking, als volgt: » deze streken zijn meest met het ribbevlies door oude aanhechtingen zoo vergroeid, dat zij eene welving boven de uitgezweete stof vormen, waardoor deze in hare verdere uitbreiding in de borstholte \erhinderd wordt. Daar nu het vocht niet veerkrachtig is, drukt het op deze welving, totdat eindelijk op de eene of andere plek verweeking der longzelfstandigheid en eene doorboring tot stand komt, door welke de uitgezweete stof zich vrij in de luchtbuizen en naar buiten kan uitstorten. Gaat de doorboring door de benedenste kwab of de grondvlakte der long, gelijk toch somwijlen wordt waargenomen, dan waren deze deelen door vroegere vergroeijingen dermate voor de zamendrukking beschut, dat zij ten minsten gedeeltelijk nog altijd voor de lucht toegankelijk bleven. Deze doorboringen zijn meestal langwerpig of afgerond, zelden meer dan 2—3 lijnen

(1) Hasse, t.

S. 241.

19

Sluiten