Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B) OEDE5IA PULMOJNUM.

(Hydrops pulinonuin ; Ilydropneurnoniu Piokky ; Zuchtige7zwelling

der longen).

Verg. «Ie Litteratuur bij J. FaANK, Praecepta etc. Part. II. Vol. II. Sect. I. p. 702.

Salius Divebsus, De aflectib. particul. c. 5. — Bomet, Sepulchret. L. II. Sect. I. Obs. -6* — Moboagni, Epist. XIII. Nr. 3. — Hastings , Kntzünd. der Lungenschleimh. S. 452. — Naumans , Handb. Bd. I. S. 557. — Williams , Brustkrankheiten etc. S. 285.

§ 051. Men heeft eenen hydrops pulmonum der luchtbuizen, des longcelweefsels en eenen hydrops pulmonum hydatidosus (1) onderscheiden. Deze laatste is bij den mensch zeer zeldzaam. De volgende beschrijving heeft de vrije verzameling van water in het longweefsel, de eigenlijke zuchtige zwelling der longen, tot onderwerp.

Ontleedkundige kenmerken.

§ 052. De zuchtig opgezette long zakt bij het openen van de borst niet ineen; zij heeft een bleekrood, en bij eenen langeren duur van het oedema, bleekgrijs, bleekgeel aanzien (2), is digter en zwaarder dan in den gezonden toestand, zakt geheel of gedeeltelijk onder water, is slap op het gevoel, heeft hare veerkracht verloren, zoodat de indruk van den vinger sterker in haar blijft staan, dan in eene natuurlijk gestelde long; zij knettert bij drukking. Uit eene in dezelve gemaakte insnijding ontlast zich in eene rijkelijke hoeveelheid eene bijna kleurlooze of flaauw gele, doorschijnende, naauwelijks schuimende wei; alleen bij een versch ontstaan oedema is de doorgedrongene wei nog sterk schuimend. De vloeistof, die zich uit de doorsneevlakte van zuchtige longen uitstort, heeft niet altijd dezelfde hoedanigheid en deelt soms in de eigenschappen der bloedmassa; bij bloedovervulling is zij rooder, bij anaemie bleeker, bij eenen toestand van ontbinding der bloedmassa rood, wankleurig, geel. De opgezette long heeft hare toegankelijkheid voor de lucht verloren; hare vaten schijnen meer verwijd en minder bloed te bevatten dan in den gezonden toestand. Hoe sterk het oedema ook is, blijft toch het sponsachtig maaksel der luchtcellen onveranderd en men herkent ze nog duidelijk, wanneer de wei afgevloeid is. Bij eenen langen duur der ziekte wordt het longweefsel murw, scheurbaar en knettert niet meer bij het insnijden. De grootste hoeveelheid wei is in de longblaasjes bevat (3). liet zeer acuut en snel doodelijk oedema tast gewoonlijk bijna

(1) Blaasvormige voortbrengselen in de longen, met eene eitwitachtige of heldere vloeistof gevuld, zitten vaak in grooten getale op de oppervlakto der longen, anderen dringen dieper ia liet longweefsel.

(2) De bleeke kleur van het oedema heeft, volgens Hasse, altijd iets eigenaardig helders,

doorschijnends, zelden ziet de zuchtige long er donkerder uit dan gewoonlijk; ik heb haar bij

het acuut oedema der longen donkerblaauw rood gevonden.

(5) Volgens Rokitaksky (t. a. p. S. 81) zijn de longcellen en de luchtbuiskanalen de eigen¬

lijke zitplaats van het vocht; volgens IIasse neemt de weiuitstorting ook het tusschenliggend cel¬

weefsel in ; ik heb ook gezien dat de vloeistof uit alle punten der doorsneêvlaktc uitvloeide.

Sluiten