Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

longcellen gevormd. Bij oudere individus komt het longemphysema veelvuldiger algemeen verspreid voor, dan bij jongere (1). Het emphysemateuse gedeelte is in omvang vergroot en schijnt somwijlen eene afzonderlijke kwab te vormen; de verwijde longcellen werken zamendrukkend op het naburig celweefsel en op de in hetzelve bevatte vaatvertakkingen en veroorzaken eindelijk gedeeltelijke verdorring des longweefsels. Strekt zich de verandering over eenen geheelen longvleugel uit, dan verdringt zij het hart, het middelvlies, naar de tegenovergestelde zijde, en zet zelfs het beenig weefsel van de borstkas uit. De zoo uitgezette longen dringen, in plaats van bij het openen van de borst ineen te zakken, zich naar buiten uit; somtijds stooten de randen van beide longen tegen elkander aan en dekken elkander van wederzijde.

§ 963. Men onderzoekt eene emphysemateuse long het best, zoo men haar opblaast en in den gedroogden toestand met scherpe sneden hare inwendige zelfstandigheid bloot legt. Somtijds neemt- men reeds aan hare uitwendige oppervlakte kogelvormige , eironde , dikwijls als gesteeld uitpuilende, doorschijnende, gierst- tot boongroote luchtblaasjes waar; deze vormen dikwijls werkelijke aanhangsels; dergelijke uitgezette luchtblaasjes vindt men in het binnenste van de long; de kleinste kunnen eenvoudig verwijde longcellen zijn; de groote zijn uit de verscheuring der tusschenwanden en het ineenvloeijen van verscheidene longcellen ontstaan. Dat deze blaasvor* mige voortbrengsels niet slechts uitgevaatte lucht onder het longweivlies zijn (die echter ook tevens aanwezig kan zijn), merkt men daaruit, dat die blaasjes zich onder het weivlies niet laten verschuiven, en na het doen van eene insnijding eene duidelijke groeve in bet longweefsel nalaten (2). De meest verwijde blazen bevinden zich op de binnenvlakte, aan den rand en op de grondvlakte der longen; zij hebben van binnen eene onregelmatige ihhamsgewijze holte, waarin de stukken der verscheurde celachtige tusschenwanden vlotten en wier wanden met ongelijke netvormige celweefseldraden doortrokken zijn; aan de grondvlakte zijn fijne openingen zigtbaar, waardoor de holte met de luchtbuizen gemeenschap oefent. Dikwijls zinken deze blaasachtige voortbrengselen dadelijk ineen , zoodra men ze in den verschen toestand open steekt, maar dikwijls ook, wanneer hunne wanden dikker en harder zijn, heeft het ineenzakken niet of slechts zeer langzaam plaats. Blaast men een stuk long met aan de oppervlakte verwijde longblaasjes op, dan komen deze tot gelijke hoogte met het longweefsel ; met het nalaten van het opblazen zakt het gezonde gedeelte des weefsels weder in — een bewijs voor de veel grootere veerkracht der gezonde longcellen in evenredigheid van de ziekelijk uitgezette.

§ 964. De emphysemateuse stukken zwemmen op de oppervlakte van het water, zijn bleek, witachtig, doorschijnend, en bloedledig. Het getal der haarvaten heeft zich riet slechts betrekkelijk in evenredigheid tot de grootere

(1) Onder 42 door Lons waargenomene gevallen waren er 18, waarin het empJivsema in beide longen volledig was.

(2) De bij emphysema vesiculare , door bet barsten der verwijde longcellen , ontstane lncbtnitvatingen onder het borstvlies zijn altijd, nit hoofde van de tusschen de afzonderlijke kwabjes aanwezige tusschenwanden, tot kleinere ruimten beperkt.

Sluiten