Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

borstkas fs zeer zeldzaam. De meest gewone zitplaats der gedeeltelijke uitpuiling is volgens Louis onder een der sleutelbeenderen en strekt zich bijna uit tot den tepel, en zelfs somtijds tot iets lager dan deze, in de breedte van ongeveer 3 tot 6 duimen, dus juist overeenkomstig met den scherpen voorrand der long, die ook de veelvuldigste zitplaats van de grootste uitzetting der longcellen is. Veelvuldiger schijnt deze uitpuiling aan de linker zijde te zijn (1). De uitpuiling bepaalt zich voornamelijk tot de ribhekraakbeenderen, de ribben en het borstbeen, de tusschenribsruimten blijven daarentegen dieper en zijn hier niet gelijk bij de etterborst verstreken, hetgeen volgens Stores het voornaamst onderscheidingsteeken tusschen deze beide ziekten uitmaakt. Echter schijnen de tusschenribsruimten bieeder te kunnen worden. Heeft de uitpuiling hare zitplaats in den hartkuil, dan verdooft bet emphysema gewoonlijk den hartslag.

§ 972. c) Percussie en auscultatie. Is het emphysema over beide longen uitgebreid, dan is de verandering van den percussieklank dikwijls moeijelijk te herkennen; echter wekt reeds de verre uitbreiding van den helderen klank tot ver in den bovenbuik, waar anders de doffe leverklank is, en tot onder het borstbeen, de opmerkzaamheid van den waarnemer. «Toont de percussie, dat de long zich naar beneden kort aan den rand der borstkas uitstrekt, dan is er zeker vesiculair longemphysema aanwezig" (Skoda). Bij gedeeltelijk emphysema is de klank het helderst in de streek van de opzetting der borstkas. Hij is helderder, voller, dan de natuurlijke longklank, zelden trommelachtig; de borstwand is veerkrachtiger, dan in den natuurlijken toestand. Volgens Stores wordt de heldere percussieklank alleen bij eenen aanzienlijken graad der ziekte waargenomen en kan in het eerste tijdperk bij eene zeer strakke, gespierde hoedanigheid der borstwanden ontbreken.

$ 973. Volgens Laeknec is voor het longemphysema karakteristiek: zwakte en zelfs ontbreken van het ademhalingsgeruisch in een groot gedeelte der borstholte in tegenoverstelling van den helderen percussieklank; de vermindering van het ademhalingsgeruisch is op de uitpuilende plaatsen der borstkas het merkbaarst. Eene tweede, voor de herkenning niet ongewigtige omstandigheid is de zwakte van het ademhalingsgeruisch in weerwil der zigtbare, zeer hevige inspanningen bij het inademen (2). Een ander teeken , dat Liehüec als diagnostisch kenmerk van longemphysema gebruikt, is een droog knetteren of knarsen met groote bellen, dat men gedurende de inademing hoort, dat soms door den lijder zeiven wordt waargenomen, of dat

(1) «Onder 34 individus hadden 11 de uitpuiling aan de regter-, 25 aan de linkerzijde; volgens Jackson is de evenredigheid van de opzettingen aau de linker- tot die aan de regterzijde als 15 tot 7 " (Lodis).

(2) Skoda heeft noch den helderen percussieklank , noch het afnemen en verdwijnen van het ademhalingsgeruisch bestendig gevonden. Men hoort het laatste nog, wanneer de tegennatuurlijk uitgezette long haar zamentrekkingsvermogen nog niet verloren heeft. De zwakte van het ademhalingsgeruisch hangt gedeeltelijk van de meerdere of mindere loegeefelijkheid van den borstwand af; is deze sterk uitgezet, dan heeft de long meer ruimte om zich uit te zetten , en het ademhalingsgeruisch wordt hoorbaar. Volgens Foüknet neemt het inademingsgeruisch in kracht en duur af, terwijl inzonderheid de dunr van het uitademingsgeruisch merkbaar vermeerderde, als 1 : 4 of 5. Daarbij heeft het ademhalingsgeruisch een ruw karakter.

III. 2. 24

Sluiten