Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 999. De gewigtigste verschijnselen van pheumothcrax zijn de natuurkundige. Zeer vaak, maar niet altijd, is de zieke borsthelft verwijd, somwijlen 1—2 duim; de tusschenribsruimten zijn even als bij etterborst uitgezet; de omvang van de zieke borsthelft is bij eenen langeren duur van pneumothorax noodzakelijk, aan afwisseling onderhevig, naar gelang de hoeveelheid der uitgevaatte lucht toe- of afneemt, en zoo kan het zells geschieden, dat de zieke zijde naauwer wordt, wanneer de opslorping reeds eenen zekeren graad bereikt, en de zamengedrukte long zich nog niet tot eenen gepasten omvang weder uitgezet heeft. Door de ophooping van lucht of van lucht en vocht worden de naburige deelen verschoven; het middelrif, en met hetzelve de lever, worden lager in de buikholte naar beneden gedrongen (1); het hart ondergaat eene liggingsverandering, die des te duidelijker (naar de regter zijde) is, wanneer de luchtverzaineling de linker borsthelft inneemt. Een zeer karakteristiek teeken van hydropneumothorax is het reeds door HirrocitATES beschreven klotsend geluid, dat het aangelegde oor hoort, terwijl de zieke geschud wordt, of zich van de eene zijde op de andere omlegt (2).

5 1000. Bij aanzienlijke luchtverzameling geeft de zieke zijde, bij de percussie een helderder (tympanitischen) klank, dan de gezonde. Het trommeiachtige ontbreekt, wanneer de borstwand in sterke spanning verkeert. Bij hydropneumothorax beperkt de heldere klank zich tot het bovenste gedeelte der borst, terwijl het onderste gedeelte den doffen toon van het vocht geeft, verandert men de ligging des lijders, dan verandert zich ook liet wederzijdsch waterpas van den lucht- en vochtklank (3 . In de meeste gevallen verneemt men, volgens Skoda, daarbij den metaalklank; hij is dikwijls niet zoo luid, dat men hem op eenen afstand kan hooren, en uit dien hoofde moet men gedurende het percuteren nog ausculteren.

§ 1001. In het door het gaz ingenomen helderklinkend gedeelte der borst hoort men geen celademen, of men hoort slechts iets dofs, onbepaalds, als van verren afstand; het ademhalingsgeruisch is slechts op den rug, aan den wortel der long hoorbaar gebleven. Uitzonderingen hiervan grijpen plaats, wanneer een gedeelte van de long door aangroeijingen aan het borstvlies gehecht is. Bij het spreken, hoesten, ademen hoort men somtijds het metaalklinken en den amphorischen weergalm; deze laatste verschijnselen verdwijnen en keeren terug.

Herkenning.

§ 1002. De doffere percussieklank en de onevenredigheid van de wijdte der gezonde borsthelft zou kunnen aanleiding geven, dat een ongeoefende

(1) Abercrombie vond de lever in de linkerzijde verschoven, terwijl de maag eene regstandige houding had aangenomen.

(2) De succussie kan het gemakkelijkst (en het minst verschrikkend voor den lijder) door den lijder zeiven verrigt worden, wanneer hij regtop zittend, en op beide handpalmen op het bed steunend, aan zijn ligchaam eene opspringende beweging mededeelt.

(3) Het vocht moet, volgens Skoda, in eene aanmerkelijke hoeveelheid voorhanden zijn, wanneer het door de percussie zal ontdekt worden; de percussieklank is namelijk zelfs onder het waterpas van bet vocht nog trommelachtig, en wordt door eene niet vrij dikke laag van vocht bijna volstrekt niet veranderd.

Sluiten