Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IïoC'irxAED twee zulke gevallen waargenomen; hiertoe behoort ook het door mij beschreven geval). Ofschoon ook Bayle een geval verhaalt, waarin tuberkcls en kanker gelijktijdig zouden bestaan hebben , spreekt dit tegen alle waarnemingen van anderen, volgens welke deze beide weefsels van vreemden aard nooit te zamen in de longen voorkomen, en doet zich de vraag op, of in Bayle's geval de tuberkels niet slechts kankerknobbels geweest zijn. Rahpold zag, dat scirrhus mammae zich door nabuurschap naar binnen op het borstvlies voortgezet had (1).

Verschijnselen.

5 1023. De herkenning van kanker der longen heeft zeer groote moeijelijkheden; dikwijls verschaft de lijkopening eerst opheldering omtrent den waren aard der ziekte. Is de long alleen aangetast, dan duiden de verschijnselen dikwijls alleen het vast worden van dit deel aan, heeft het kankerachtig vreemd weefsel zijne zitplaats in het middelvlies, dan kan men soms het bestaan van een gezwel in de borstholte, zonder deszelfs aard te kunnen bepalen, uit de verdringing van de long, van het hart, uit de zamendrukking der luchtpijp en des slokdarms, der luchtbuistakken, de toesluiting der ondersleutelbeensslagader gissen.

§ 1024. De voornaamste verschijnselen van het eerste tijdperk van longkanker zijn: belemmerde ademhaling, die tot toevallen van verstikking en orthopnoea klimt; borstpijnen, die zich tot den schouder en den rug uitstrekken; een drooge, kwellende prikkelhoest, zonder of met fluimlozing, zoolang de kanker niet in verweeking is overgegaan en de verweekte plaatsen met de luchtbuizen geene gemeenschap oefenen. Somwijlen ongelijkmatige opzetting, verwijding der zieke borsthelft, geringe beweging of stilstand derzelve bij het ademen; onmogelijkheid om op die zijde te liggen. Doffe percussieklank in de borsthelft, waar de ontaarding der long gezeteld is; opgeheven celademen ; daarentegen somwijlen luchtbuisademen en luchtbuisstem; kinderlijk ademhalingsgeruisch op de gezonde zijde; afname van de borstlrilling der zieke zijde bij het spreken. Zinken der krachten, blaauwe, loodkleurige, kwaadsappige gelaatskleur; uitdrukking van angst en smart in de gelaatstrekken; drooge huid; kleine menigvuldige, dikwijls onregelmatige pols, somtijds slechts aan de spaakbeensslagader der zieke zijde zwak en nalatend, bij eenen vollen regelmatigen pols in de spaakbeensslagader der andere zijde. Veelvuldig verhinderd slikken; zuchtige zwelling van den arm , den hals , het gelaat aan de zieke zijde ; dikwijls^zwelling en verharding der okselklieren van deze zijde of ontwikkeling van knobbelige , scirrheuse gezwellen onder de huid van de borst, van den rug. Vaak geene of onbeduidende koorts, geene aanzienlijke vermagering; verlies van den eetlust.

§ 1025. Wanneer het tijdperk van verweeking verschijnt, ontstaat er dikwijls bloedspuwing, die herhaaldelijk terugkeert; met den stethoscoop hoort men slijmreutelen, reutelend luchtbuisgeruisch; in de plaats van de drooge hoest komt het ophoesten van etterachtige, ichoreuse, met bloed gemengde, dikwijls uitermate stinkende fluimen, en de adem des lijders neemt

(1) Sciijiiot's Jahrbücher, BJ. XXI. S. 249.

Sluiten