Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thans ook dien reuk aan. De fluimen bestaan niet zelden uit uiteenloopende, witte of roodachtig bruine, breiachtige, roomachtige, vlakke, in het water zwemmende massas; met het microscoop zijn zij nog niet onderzocht; maar het is waarschijnlijk, dat men daarin behalve den etter ook gestaarte lig— chaampjês en kankercellen zou vinden, hetgeen eene gewigtige zekerheid voor de herkenning zou opleveren. De gelaatskleur neemt den aan de kankerkwaadsappigheid eigenen stroogelen tint aan; de algemeene uittering met vochtontbinding komt meer te voorschijn.

§ 1026. Somtijds verloopen er eenige jaren, voordat de longkanker tot verweeking komt, en meestal heeft de doodelijke afloop door verstikking of borstverlamming plaats, voordat de ontaarding deze verandering ondergaat. Vandaar gebeurt het, dat vele karakteristieke verschijnselen, zoo als de eigenaardige fluimen, de bloedingen, de stinkende adem, het marasmus, de aardvale gelaatskleur in vele gevallen van kanker der longen gemist worden. Het zekerste teeken is het zigtbaar bestaan van kankerontaarding in andere deelen benevens de verschijnselen van het longlijden. Tot de minder standvastige verschijnselen behooren de variceuse uitzetting der strotaderen en die van andere aderen op de oppervlakte des ligchaams, hartkloppingen, verdwijnen en heeschheid van de stem, voelbare vergrooting der lever door het benedenwaartsdrukken des middelrifs, wanneer de ziekte in de regter borstholte huist, pijn in den hartkuil en in het hypochondrium, klopping van het hart op eene ongewone plaats, aan de regter zijde (bij kanker van de linker borsthelft) , met eenen zwakken, onregelmatigen aanstoot en met blaasbalggeruisch, eindelijk dikwijls algemeene waterzucht.

Herkenning.

§ 1027. Hoe moeijelijker deze is, des te gewigtlger is het, de verschillen van daarop gelijkende groepen van verschijnselen op te geven. Men kan den longkanker, voornamelijk in het eerste tijdperk, met etterborst, tubsrkelzucht, hepatisatie , met slagaderbreuk der aorta verwisselen.

Tot het vooronderstellen van etterborst wordt men verleid door de opzetting van eéne borsthelft, den doffen percussieklank, het ontbreken van het ademhalingsgeruisch, de pleuritische pijn. De welving der borsthelft is echter bij longkanker veel ongelijkvormiger , dan bij etterborst, niet zoo zeer aan de grondvlakte der borstkas het sterkst, als veeleer in het midden, gemeenlijk in de streek van de 4de—7de rib; zij is niet algemeen, over eene geheele borsthelft verbreid, maar gedeeltelijk. Ook zijn de tusschenribsruimten niet zoo als bij de etterborst vlak geworden en uitpuilend ; zelden strekt zich de doffe percussieklank zoo ver naar beneden en tevens naar boven uit als bij de etterborst; de veranderde ligging des ligchaams heeft bij longkanker op de hoogte van den doffen percussieklank geen invloed; koorts bij etterborst meest sterker, gelaats- en huidkleur beter enz.

§ 1023. De tuberkelzucht der longen veroorzaakt bijna nooit zulk eenen doffen en ver uitgebreiden percussieklank als hier wordt waargenomen; het celademen is nog op vele plaatsen hoorbaar; bij tuberkelzucht breidt de ziekte zich van boven naar beneden uit; bij longkanker heeft vaak de omgekeerde uitbreiding plaats; hier ontbreekt daarentegen het teringachtig uitzien , en dikwijls is bij eene reeds vergevorderde ziekte de vermagering gering,

Sluiten