Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

}

beginnen te worden en in het gele over te gaan. Laennkc's gevoelen, dat de grijze giersttuberkels het primitief vormingstijdperk, en de gelen een verder ontwikkelingstijdperk der tuberkelstof uitmaken, is veelvuldig bestreden; wij zijn van gevoelen, dat eene verandering der doorschijnende grijze in de ondoorschijnende tuberkels dikwijls voorkomt en deze laatste dikwijls eene verandering van de eerste zijn; echter kan men ook niet ontkennen, dat de grijze granulatien in andere gevallen geheel schijnen te ontbreken en de tuberkel van het begin af aan geel en ondoorschijnend voorkomt, waardoor Hasse zich wel genoopt zal gevoeld hebben, om de grijze en geelachtige verscheidenheid des tuberkels als twee bijzondere soorten van elkander af te scheiden (1). Ons is het in het oog gevallen, dat de doorschijnende granulatien bijna alleen in de onderste, bijna nooit in de bovenste longkwabben gevonden worden.

§ 1047. Het betwiste gedeelte van de vraag omtrent de zitplaats der tuberkels in de longen betreft voornamelijk de zoo even beschrevene giersttuberkels ; heeft de afzetting der tuberkelkorreltjes op de inwendige vlakte der longcellen, of in het interstitieel celweefsel van het longweefsel plaats, of zetten zij zich, zoo als Crdveilhier meent, in de laatste haarfijne uiteinden der aderen? De gewigtigste autoriteiten verklaren zich daarvoor, dat het inwendige der longcellen even zoowel als het interstitieel celweefsel de plaats voor de eerste afzetting der tuberkelstof oplevert; maar hoe moeijelijk hier eene afdoende beslissing is, blijkt daaruit, dat na zoo vele verhandelingen over dit onderwerp IIokitansky onlangs de ontwikkeling der tuberkelgranulatien buiten de longcellen, en Hasse daarentegen op de oppervlakte der longblaasjes plaatste.

§ 1048. Waar nu ook de primitive afzetting der tuberkelstof plaats moge vinden, het zij binnen in of buiten de longcellen, zoo wordt in ieder geval door de verdere ophooping , door het overhand nemen van het vreemd voortbrengsel het naast aangelegen longweefsei verdrongen, onbruikbaar; de afgezonderde granulatien vloeijen ineen tot opeengehoopte onregelmatige massas , zoo als men die vooral in de bovenste longkwabben aantreft (2).

§ 1049. De tuberculeuse infiltratie bestaat in de verandering eener niet bepaald omschrevene grootere plaats der longweefsels in een tuberculeuse, kaasachtige massa; de infiltratie is niet eerst uit het ineenvloeijen van alleen staande tuberkelkorreltjes (door opeenhooping) ontstaan; de granulatien ontwikkelen zich dikwijls eerst later uit de infiltratie; maar zij is eene oorspronkelijk verder uitgebreide afzetting en doordringing des weefsels met tuberkelstof; Rokitansky laat haar als longontsteking onder den invloed van

(1) t. a. p. Bil. I. S. 453 etc.

(2) De ophooping der tuberkels in onregelmatige hoopen onderscheidt Rokitanskï van de oorspronkelijke manier van verschijnen der tuberkels in vrij regelmatige groepen. » Onder zekere, tot dusver nog volstrekt niet opgehelderde plaatselijke en algemeene omstandigheden ontwikkelen de tuberkels zich oorspronkelijk ?p enkele plaatsen in meestal afgeronde groepen, ter grootte eener erwt, boon, of hazelnoot en grooter, en daarnaast bestaan andere alleen staande in een vrij groot aantal, of slechts weinige , of dikwijls volstrekt geenc. In sterk uitgedrukte gevallen van dien aard worden de tuberkels rondom eenen middelpuntskern van longzelfstandigheid afgezet, van welken somtijds taksgewijze , de tuberkelmassa in verscheidene vakken verdeelende , parenchymateuse \«oortzettingen uitloopen (t. a. p. Bd. III. S. 125j.

Sluiten