Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en, in vergelijking van de meer uitkomende verschijnselen der zamenstellende ziekte, zoo weinig belangrijk zijn , dat zij geheel over het hoofd gezien worden. Waar vermagering of groote afmatting met eene ligte koorts plaats grijpt, zonder dat de oorzaak daarvan duidelijk is, moet men zich vroegtijdig door een natuurkundig onderzoek vergewissen, of er geene tuberkelzucht der longen in eene hinderlaag schuilt.

§ 1065. B) Hoe men den borstzwakken en tuberculeusen habitus moet onderscheiden , is reeds vroeger (Deel I, bladz. 216) besproken. Door beiden wordt een aanleg tot longtering te weeg gebragt, door beiden vereenigd meer, dan door den borstzwakken of tuberculeusen habitus elk afzonderlijk. Dit omtrent de voorbeschiktheid! Maar er bestaat een teringachtig maaksel van de borstkas en van het geheele ligchaam,dat niet oorzaak, maar gevolg van de reeds ontwikkelde tuberkelzucht of tering is, en als verschijnsel dezer ziekte moet beschouwd worden. Deze secundaire ziekelijke verandering van het maaksel der borst wordt gewoonlijk met die soorten van ligchaams— bouw, die nog niet noodzakelijk het bestaan van tuberkels bewijst, verwisseld ; zij is eene verdere ontwikkeling van den borstzwakken habitus, de schouderbladen gaan van lieverlede meer en meer vleugelsgewijs naar voren en zijn opgeligt, de groeven boven en beneden de uitpuilende sleutelbeenderen zakken sterk in, vormen-holle ruimten, de borst wordt vlakker, volgens Stokes heeft door de atrophie der longen eene vernaauwing in haie afmetingen plaats. Haar voornaamst karakter is vernaauwing van den bovensten omvang der borst (die in den natuurlijken toestand in wijdte den middelsten en bovensten omvang overtreft) en merkbaar inzakken der ondersleutelbeensstreek; deze veranderingen zijn de gevolgen van tuberkelophooping en verwoesting in de bovenste longstreken en van de in deze streek zich dikwijls vormende pleuritische aangroeijingen; door de opzetting der lever woidt de onderste omvang der borstholte gelijktijdig meer verwijd. Ekgel geeft als kenmerk van den tuberculeusen habitus der borstholte, eene vatvormige, in de lengte gerekte gedaante van de borst op met vergrooting der tusschenribsruimten. Het uitpuilen der ribben, de schijnbare verdikking van de gewrichten der lange beenderen en van de vingers, de kromming der nagels, die men onder de' teekenen van den teringachtigen habitus geteld heeft, zijn gevolgen der algemeene vermagering. Een zwakke naauwe bouw van de borst is diensvolgens eene voorbeschikkende omstandigheid voor de ontwikkeling van tuberkelzucht der longen eil men ziet naar evenredigheid veel meer individus met dezen habitus aan tering lijden, dan breedgebouwde, breedgeschouderde voorwerpen; maar deze laatsten kunnen ook slagtofFers van longtering worden en de eigenlijke (secundaire) teringachtige borstvorm kan even goed bij deze, als bij oorspronkelijk borstzwakke individus tot ontwikkeling komen (1).

(1) WiTHERING en Darwin hebben eene ongewone grootte van Jen oogappel als het bestendigst teeken van eenen teringachtigen habitus aangenomen; maar deze is, naar men weet, eene gewone eigenschap bij scrophuleuse gestellen. Volgens Simmons zou het grootste getal dergencn, die aan knobbeltering sterven, nooit eenen rottigen tand gehad hebben. Ofschoon deze bevinding niet algemeen waaf is, is toch zeker de toestand der beenvoediug bij klierzieke voorwerpen hoogst merkwaardig; Andrai merkt aan, dat bij teringzieken de kraakbeenderen der ribben en des strottenhoofds vroegtijdig verbeenen; volgens Rokitahskv sluiten sterke verkrommingen der rugge-

Sluiten