Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen hoest waargenomen werd, zijn echter maar hoogst zeldzaam (1). Volgens Lodis is de hoest des te heviger, hoe korter het beloop der ziekte is. Hij is een der standvastigste en gewigtigste diagnostische kenteekenen.

<j) 1070. G) Fluimlozing. De fluimlozing is een der gewigtigste punten die tot herkenning van tuberkelzucht en longtering gebruikt worden. Men heeft de sporen van tuberkelstof met het bloote en met het gewapend oog in de fluimen gezocht; men heeft door microscopische en scheikundige hulpmiddelen den etter van het slijm in de fluimen getracht te onderscheiden ; de resultaten zijn reeds vroeger opgegeven en wij komen niet weder op de omstandige opgave dezer onderzoekingen terug. Of-men werkelijk tuberkelstof in de fluimen vindt, hetgeen zeker het stelligst diagnostisch teeken zijn zou , is zeer twijfelachtig. Door het sterk eiwitgehalte en het ligt verbran\ den van de fluimen in de vlam wordt hunne etterachtige hoedanigheid met eenige zekerheid ontdekt. Hoe meer tuberkelstof de fluimen bevatten, des te meer maken zij ook helder water troebel en geven aan hetzelve een melkachtig aanzien (2). Vindt men brokken long in de fluimen , dan is de herkenning eener etterachtige verwoesting der long stellig zeker, maar die gevallen zijn hoogst zeldzaam.

§ 1071. De moeijelijkheid eener herkenning uit de fluimen blijft altijd deze, dat het grootste gedeelte der fluimen in de longtering uit afgescheiden stof uit de luchtbuizen bestaat en dat in eenvoudige slijmvioeijing der luchtbuizen de fluimen volkomen het karakter van teringfluimen (eenen stinkenden reuk, eenen ronden platten vorm, vervloeij'ènde hoedanigheid) kunnen aannemen. In het begin der ziekte bestaan de fluimen der tuberkel-

(1) Men vindt in deze gevallen raauwe en verweekte tuberkels in het longweefsel verstrooid en het luchtbuisslijmvlies wit. De vergezellende vochtstilstand in de luchtbuizen én de prikkeling derzelve door de fluimen schijnt even veel deel aan de opwekking van den hoest te hebben, als de prikkeling des longweefsels door de tuberkels zelve, misschien nog wel een grooter.

(2) Belangrijk zijn omtrent dit punt de proeven van Andral, daar zij veel overeenkomst hebben met die van Sihon : » De uit tuberkelholten verkregene massas zakken in het water op den bodem, maar verdeelen zich in eene menigte van kleine, dofwitte korreltjes, die de doorschijnendheid van het water troebel maken en aan hetzelve een duidelijk melkachtig aanzien geven , dat verdwijnt, wanneer men het vocht verscheidene dagen lang stil laat staan. Van het slijmvlies van een gezond voorwerp genomen slijm blijft midden in het water hangen, maar zakt dan zonder zich te verdeelen en zonder het vocht troebel te maken. Tan een luchtbuisslijmvlies genomen slijm blijft gedurende langeren of korteren tijd in het vocht zwevend, waarna het in de gedaante van groote vlokken op den bodem van het water zakt; soms ook bereikt het dadelijk den bodem van het vocht. Dit slijm maakt overigens de doorschijnendheid van het water eerst troebel na lang en sterk voortgezet doorroeren. Bij vele teringziekten gedragen de fluimen zich op dezelfde wijze. Bij anderen verdeelen zij zich gemeenlijk in twee deelen, waarvan een dadelijk zinkt, het water troebel maakt en een wit of grijs bezinksel vormt, en het ander, nadat het in het begin op de oppervlakte gezwommen heeft, na 10 of 12 uren ook zinkt, maar zonder het water troebel te maken. Mengt men eenvoudig slijm met de uit eene tuberkelholte genomene massa, dan zinkt het mengsel en het water krijgt een melkachtig aanzien. Deze daadzaken leiden tot het besluit, dat bij een groot aartal teringlijders de fluimen alleen uit het door het slijmvlies der luchtbuizen afgescheiden slijm bestaan; dat zij bij anderen uit een mengsel van slijm en verweekte tuberkelrnassa of uit de holte komende stof zamengesteld zijn. De meer of minder naamvkeurige vermenging dezer beide bestanddeelen en hunne naauwe betrekking tot elkander zijn de redenen , waarom zij zich na de vermenging met water verschillend gedragen (Specielle Pathol. Th. 1. S. 576 etc.).

Sluiten