Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zetten zij zich afwisselend bij het inademen uit en zakten zij bij het uitademen ineen, dan hoort min dikwijls benevens andere slijmachtige reutelgeluiden het droog knetterend reutelen met groote bellen. Maar er kunnen ook holten aanwezig zijn, zonder dat het ademhalingsgeruisch aanzienlijk veranderd schijnt te zijn en geenszins zijn de natuurkundige teekenen altijd zoo sterk uitgedrukt, dat men het bestaan van holten altijd daardoor alleen inet zekerheid zou kunnen bewijzen. Vele teekenen zijn op eenen zekeren tijd aanwezig, verdwijnen en komen terug, naarmate de gemeenschap der holten met de luchtbuizen open is of niet.

§ 1078. Skoda heeit Laennec's holtegeruischen, die pathognomonisch voor holten in de longen zouden zijn (holteademen, holtereutelen, borststem), tot den meer eenvoudigen grondvorm van de medegalmende luchtbuisgeruischen teruggebragt, aangezien het verschil van graad in de uitgestrektheid der geluiden geenen grond tot onderscheiding kan opleveren. Het gevoel des waarnemers, alsof iemand hem in het oor blaast of spreekt, hetgeen volgens Laennec de holtegeluiden zou onderscheiden, bestaat evenzeer bij sterke luchtbuisstem en luchtbuisademen. De streek, waar deze geluiden voornamelijk voorkomen (onder de sleutelbeenderen), beslist het meest Voor de bron van hun ontstaan, daar men hier na den dood de holten inzonderheid aantreft. Legt men in de streek,'waar eene sterke luchtbuisstem hoorbaar is, de vingertoppen op de wanden der borstkas, dan wordt voor dezelve gedurende het spreken een eigenaardig, alleen tot de streek der holte beperkt sidderen of gonzen voelbaar j zal dit verschijnsel plaats grijpen, dan moeten de holten in verhard longweefsel besloten zijn. Volgens Pdilipp kan de inhoud van tuberkelholten, die zeer kort bij de oppervlakte der long ) door de ademhaling en door de werking van het hart in beweging gebragt worden , zoodat daaruit dikwijls geruischen ontstaan, die men verneemt, zonder juist het oor tegen den borstwand aan te leggen. Laennec heeft nog op een zacht suizend geluid de aandacht gevestigd, dat inzonderheid, wanneer de lijder woorden van eene lettergreep spreekt, de borststem , het holte-ademen en hoesten vergezelt, of veeleer onmiddellijk op de stem volgt (soufflé voilé).

§ 1079. I) Vermagering. In het begin naauwelijks opgemerkt, maakt deze bij eenen nog gedeeltelijk voortbestaanden eetlust meestal langzame vorderingen, totdat eindelijk de eetlust verloren gaat, de spijsvertering gestoord wordt, de koorts in hevigheid toeneemt, en verschijnselen va,n vochtontbinding voorkomen. Dan neemt de vermagering snel toe, de slapen en wangen vallen in, de jukbeenderen puilen uit, de oogen schijnen in den hollen oogkuil grooter te worden, de neus wordt spits, de huid rimpelig, hai;d, de haren vallen uit (door het verdwijnen van de olie in dezelve?) (1) de spieren worden slap, de zieke gelijkt een met huid zonder vleesch bedekt geraamte. Opmerkelijk is het intusschen, dat het verdwijnen van het vet niet gelijkmatig over het geheele ligchaam plaats grijpt, in de lijken van longteringlijders vindt men niet zelden nog groote vetmassas in de na-

(1) Het duidelijkst vertoont zich volgens Eiliotsox de zwakte van den haargroei bij vrouwen en meisjes; zij klagen dat haar het haar uitvalt en de krullen niet meer blijven zilten (t. a. p. S. 544).

Sluiten