Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 1083. L) Vochtontbindingen. De voornaamste zijn zweet en buikloop. Deze ontlastingen komen niet enkel in het laatste tijdperk der ziekte voor, ofschoon zij dan het sterkst worden; zij vormen geene bepaalde afdeeling van het beloop der ziekte (een tijdperk van colliquatie) zoo als vele geneesheeren dit aannemen; maar veeleer heeft ongewoon zweet zeer dikwijls, en zelfs gemeenlijk reeds in het begin der tuberkelzucht plaats; het is dan meestal plaatselijk, vooral op de bovenste gedeelten des ligchaams, hoofd, borst, hals, armen, in de handpalmen en voetzolen. Meest en rijkelijkst komt het zweet der teringziekten des morgens voor; de lijders zijn bij het ontwaken in zweet badend. Dikwijls zweeten zij , zoodra zij inslapen. Somtijds ontbreekt het zweet; zweet en buikloop vervangen elkander niet, integendeel komt volgens de waarnemingen van Louis sterk zweet met buikloop zamen voor; ook staat het in geene evenredigheid tot de koorts; deze is nog zeer gering of ontbreekt geheel, wanneer het zweet reeds zeer rijkelijk is. De vermagering neemt met hetzelve merkelijk toe.

Ten gevolge van het rijkelijk zweet ontstaat niet zelden prurigo en zweetgierst uitslag; biertoe zullen wel voornamelijk de pustulae rubrae behooren, die de ouden (Hippocrates , Boerüaave , van Swieten) onder de verschijnselen van tering noemen; ik herinner mij niet ooit een ander aan longtering eigen uitslag te hebben gezien.

§ 1084. De doorloop is meest een later verschijnsel dan het zweet, maar is ook dikwijls reeds vrij vroegtijdig aanwezig; hij kan voor eenen tijd lang verdwijnen; in het laatste gedeelte der ziekte is hij bijna altijd aanwezig en duurt meest onafgebroken tot aan den dood voort. Zeer dikwijls is hij met kolijkpijnen, die de ontlastingen voorafgaan, gepaard; de onderbuik is gevoelig, vooral voor drukking in de streek van den blinden darm. De ontlastingen zijn zelden ruim, meest geelachtig en breiachtig, dikwijls ook dun, vlokkig, slijmig, eindelijk stinkend, met etter en bloed gemengd, rotachtig; hare hoedanigheid is nog niet behoorlijk onderzocht (1). Uier doet zich nu eerst de vraag op naar de betrekking, waarin deze doorloop staat tot de in de lijken van teringzieken bijna altijd voorkomende darmzweren. Is de buikloop de oorzaak der zweren of zijn deze het primaire ? Wanneer men bedenkt, dat overal, waar de afscheiding van een slijmvlies sterk aangezet is, deszelfs epithelium meer dan gewoonlijk en sneller dan bet zich herstellen kan, afgestooten wordt en dat bij iederen aanhoudenden buikloop, zwelling der slijmbeursjes, ontvellingen en verzweringen van het slijmvlies der darmen ontstaan, dat voorts de buikloop van teringzieken in het begin niet zelden sneller ophoudt, dan men het met eene reeds bestaande

(1) Yolgens Simoiï scheiden de ontlaste massas zich in twee lagen, waarvan de onderste vlokkige , wanneer men haar onder het microscoop beschouwt, als uit slijm of uit ettcrligchaanipjes bestaande herkend wordt, op velerlei wijzen gemengd met overblijfselen der spijs, of met eene door eene kleurstof gekleurde vormelooze massa. Somtijds vindt men in het bezinksel der stoelgangen kleine witachtige of galachtige, ligt zamendrnkbare massas, die uit cellen bestaan en veel bygemengde vetkorreltjes bevatten. Eene bijmenging van bloed is niet zeldzaam en de drekstoffen hebben dan eene chocolade- of donker bloedroode kleur." De boven het bezinksel staande troebele, geel- of bruinachtige, of bloederige , met drekstoflfen gemengde vloeistof bevat altijd eene vrij aanzienlijke hoeveelheid eiwitstof (t. a. p. Th. II. S. 495)» De ontlastingen zijn vcelvuldiger over dag dan des nachts, inuar eindelijk grijpen zij ook over dag plaats.

III. 2. 27

Sluiten