Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teruitstorting in de holten, opgezetheid des gelaats, blaauwzueht, eenen onregelmatïgen nalatenden pols, onmogelijkheid om op den rug te liggen, aanvallen van kortademigheid.

§ 1092. Tot de menigvuldigste toevallen der longtering behoort hare zamenstelling met slijmvliesontsteking en verzwering van het strotklepje, van het strottenhoofd, van de luchtpijp , versterving van derzelver kraakbeenderen. Hierdoor pijn en moeijelijkheid in het slikken, stekend, brandend gevoel in deze streek, heeschheid, verlies van de stem. De strottenhoofdstering is dikwijls slechts eene secundaire aandoening van tuberkelzucht der longen; zij voegt zich eerst in een later tijdperk bij dezelve (1). Bij teringzieken komen overigens ook moeijelijkheden in het slikken en veranderingen van de stem zonder de minste afwijking in het strottenhoofd of in het keelgat voor en hangen dikwijls af van eene drukking op de terugkeerende zenuw, door verharde luchtbuisklieren veroorzaakt. Portal verhaalt zulk een geval (2).

Gezamenlijk beloop der ziekte.

§ 1093. Na deze beschrijving van de verscheidenheden der verschijnselen zullen wij beproeven, om de voornaamste grondvormen van de geheele wijze van beloop der longtering kortelijk in haren zamenhang voor te stellen.

a) De meest gewone wijze van beloop is eene slepende. Het tooneel wordt door eene enkele of herhaalde bloedspuwing geopend; een drooge hoest, die de lijders vooral des nachts en des morgens kwelt, blijft na; stekende pijnen schieten van tijd tot tijd door de borst. Niet zelden klagen de zieken in het eerste tijdperk over een pijnlijk gevoel in de gewrichten en de ledematen; zij krijgen rillingen tegen den avond, daarop volgt koortshitte; dan worden zij mager en voelen zich afgemat. Zij zijn kortademig en geringe ligchaamsinspanningen brengen hen buiten adem. Deze toestand kan een paar jaren lang duren. Van lieverlede voegt zich ook fluimlozing bij den hoest, aanvankelijk zijn de fluimen taai, doorschijnend, later etterachtig en in eene grootere hoeveelheid; de teringachtige bouw van de borstkas wordt meer en meer ontwikkeld; de koorts wordt heviger, maakt dagelijks twee aanvallen; des morgens breekt op de bovenste deelen des ligchaams zweet uit, waarop de toevallen eenigzins nalaten. De hoest en fluimlozing nemen toe; de koortsgloed is het sterkst op de wangen (omschrevene hoogroode vlekken), in de handpalmen en voetzolen. Eindelijk wordt de koorts aanhoudend, de fluimen ettervormig met brokkige, korrelige massas gemengd; er komt buikloop op, de vermagering bereikt den hoogsten graad; de voeten zwellen op , totdat er eindelijk door uitputting , flaauwten of verstikking de dood op volgt. De verschijnselen van percussie en auscultatie houden eenen gelijken tred met de opgenoemde verschijnselen; eerst de teekenen van raauwe , alleen staande, later die van opeengehoopte tuberkels, eindelijk de teekenen van de holten.

Zoo wij dezen grondvorm van het beloop der longtering eenen slependen noemen , moet dit woord in den ruimsten zin genomen worden; soms bereikt de ziekte in 6—8 maanden, soms eerst na veel langeren tijd haar

(1) Zie boven bladz. 100.

(2) Verg. t. a. p. Bd. II. S. 69.

Sluiten