Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beantwoorden; iedere bijdrage daartoe is welkom; maar voordat wij tabula jasa met de overleveringen der verloopene eeuwen maken, zoo als de ultras ondei onze hervormers willen, handelen wij voorzigtiger, met te wachten, totdat de stellige winst van latere tijden het overgeerfde ontbeerlijk maakt. De naaste oorzaak der knobbellongtering kennen wij niet en zij zal ons ook nog een geruimen tijd onbekend blijven. Geven wij aan de ontleedkundige daadzaken eene meer algemeene uitdrukking, en zeggen wij, dat er zich eene eigenaardige, op eiwitstof gelijkende, tot verweeking geneigde vormingsstof (die dan toch alleen uit het bloed door het voedings-, door een prikkelingsbedrijf (?) kan uitgescheiden worden!) zich in het interstitieel weefsel der long , in de longcellen nederzet, of dat een voortbrengsel van den vochtstilstand in de long door de verkeerde voeding zich in tuberkelstof verandert, dat voorts de als een vreemd ligchaam werkende tuberkel vochtstilstand, ettering in den omtrek en daardoor eindelijk verwoesting des weefsels voortbrengt, dan ligt hierin veel, dat op gissingen berust, maar dat dan toch dat nut heeft (een nut, dat oyer het geheel aan gissingen eigen is en ze zelfs noodzakelijk, maakt), dat hieruit vragen ontstaan, die aan de verdere nasporingen eene zekere rigting geven, waardoor het ware en het ongegronde van de gissing zelve weder in het behoorlijk licht geplaatst wordt.

§ 1102. IIippocrates nam reeds aan, dat de ontwikkeling der knobbellongtering het veelvuldigst in het tijdperk tusschen het 18de en 35ste levensjaar voorkomt; hiermede komen ook latere onderzoekingen vrij wel overeen (alleen mag men niet naar de sterfjaren der teringlijders , maar moet men naar het begin der ziekte rekenen, daar de doodelijke afloop ver over het i55ste jaar kan vallen!); ook is voor de grootere veelvuldigheid der ziekte in dit tijdvak een natuurkundige reden in de betrekkelijk grootere werkzaamheid der borstingewanden gelegen. Maar hiermede is niet ontkend, dat in meer zeldzame gevallen, onder eenen anderen zamenloop der oorzaken kinderen en grijsaards ook aan longtering kunnen lijden; andere oorzaken moeten dan slechts zoodanig den boventoon hebben , dat tot verwekking der werkelijke ziekte de leeftijd buiten aanmerking blijft. Men heelt zelfs in de vrucht tuberkels in de longen gevonden. Bij kinderen is meestal de tuberkelzucht der longen secundair en volgt op andere postvattingen van deze vochtontmenging, inzonderheid in de darmscheilklieren; gewoonlijk zijn de luchtbuisklieren het eerst aangetast; bij oudere voorwerpen heeit dikwijls de tuberkelzucht door gunstige omstandigheden gesluimerd en openbaart zich eerst, nadat zij verder gevorderd is, of wanneer opwekkende oorzaken de gelegenheid tot hare uitbarsting geven.

5 1103. De kinderlijke leeftijd brengt wijzigingen in de uitwendige gedaante der ziekte te weeg, die der vermelding waardig zijn. Daardoor, dat bij zulke kinderen de darmscheilklieren primair zijn aangedaan of ten minste aan de tuberkelzucht deel nemen, voegt zich bij de borstverschijnselen eene reeks van buikverschijnselen, die dikwijls de opmerkzaamheid des geneesheers uitsluitend tot zich trekken; knobbelige zwelling van den buik, gestoorde spijsvertering, onregelmatige eetlust, onregelmatige, meest bleek gekleurde ontlastingen, nu eens buikloop, dan weder verstopping. Hierbij komt nu een meest drooge, dikwijls aanvalsgewijs opkomende hoest, hij-

Sluiten