Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

torpide, aderlijk gestel komt de longtering dikwijls eerst in latere jaren op,

are ontwikkeling gaat trager voort, zonder of met weinig ontstekingachtige verschijnselen, met weinig koorts, zoodat de ziekte zelve lang verborgen kan blijven. Bij een zenuwachtig gestel zullen stoornissen des zenuwstelsels onder de verschijnselen van longtering meer den boventoon hebben , en wil men daarom eene zenuwachtige bijsoort vast stellen, dan kan men dit doen mits men slechts aan deze benaming geene andere beteekenis, dan de opgegevene, schenke.

^ 1107. Eene borstzwakke bewerktuiging en ten gevolge daarvan tuberkelzucht ontwikkelt zich dikwijls in de jaren van den groei, inzonderheid bij voorwerpen, die snel in de hoogte opschieten, waardoor de ontwikkeling de k°rstkas dikwijls bij de overige afmetingen des ligchaam.; achterbij lt. Eene gelijke werking heeft het dragen van naauwe kleederen, van 'j^11 i1* j011Se j^ren, eene reeds van kindsbeen at aangenomene gebukte houding bij het werken, veel zitten.

§ 1108. Alle uitwendige schadelijkheden, die in $ 899 als middellijke oorzaken van bloedspuwing opgesomd zijn, kunnen ook tot het ontstaan van ue^ tering medewerken, zonder dat zij alleen, zonder eene reeds bestaande neiging tot tuberkelzucht, in staat zijn de ziekte te weeg te brengen. Hoe Je longtering zich uit bloedspuwing, uit verkoudheden, uit longontsteking kan ontwikkelen, zoodat zij slechts het gevolg van deze toestanden schijnt te zijn, zal wel geene nadere verklaring behoeven. Niet minder dan andere de longen dadelijk beleedigende schadelijkheden, zijn zij ook slechts de secundaire factor, die in de zamenwerking met de primaire, den aanleg, het werkelijk ontstaan der ziekte mogelijk maakt. Uit bloedspuwing, uit luchtbuis-, uit longontsteking alleen ontstaat geen tuberkelzucht. De slepende luchtbuisverkoudheid kan colliquatief worden en doodelijk eindigen, de longontsteking kan in ettering overgaan, zonder eenig spoor van tuberkels in de longen. Het onbekende iets, den aanleg, kunnen wij eens vooral niet ontwijken, ofschoon wij daarmede nog niets voor verklaard houden.

§ 1109. Niet minder moeijelijk dan de aangeborene tuberkelzucht der longen of de tuberculeuse aanleg kan de verkregene in haren oorsprong afgeleid worden. Eene daadzaak is het, dat ten gevolge van heete uitslagziekten, mazelen, pokken, roodvonk, na onderdrukking van slepend huiduitslag, van schurft, herpes, na de onderdrukking of genezing van hebbelijk zweet, van oude zweren, fontanellen, witten vloed, dat door het uitblijven, de onderdrukking of de onregelmatigheid der stonden- en aanbeijenvloeijing' longtering kan ontstaan en men heeft deze gevallen onder den naam van metastatische longtering bijeen gevoegd. Maar hoe moeijelijk is het te beslissen, dat de longtering werkelijk aan de vooronderstelde ziekteverplaatsing haar ontstaan te danken heeft? Kan de tuberkelzucht zelve niet de oorzaak zijn, dat de afscheiding verdroogd is? En hoe zal men zich dat bedrijf voor. stellen, waardoor de ziekteverplaatsing het ontstaan der tuberkelzucht te weeg brengt? Dwalen de teruggehoudene, tot uitscheiding bestemde deelen in het bloed rond, bederven zij het, scheidt zich de mazel-, de roodvonk-, de schurft-, de menstruaalstof in de longen als tuberkel af?

, $ 1110. Gelijke twijfelingen bestaan er omtrent die soorten van longteiin0, die van andere vochtontrnengingen zouden afhangen, de venerische,

Sluiten