Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeijelijkheid, 0111 het primaire van het secundaire af te scheiden en den waren zamenhang der tuberkelvorming met den tegennatuurlijken toestand des kraambeds te bepalen! Ook heeft de tering bij kraamvrouwen doorgaans een zeer snel beloop. Onder de door Schönlein voor kraambedstuberkels opgegevene verschijnselen is er geen enkel, dat niet aan elke tuberkelzucht gemeen is.

$ 1120. De wanorden in den aanbeijenvloed hebben in hare werkingen veel gelijkenis met die, welke door stoornissen van den stondenvloed te weeg gebragt worden. Onder eenen veranderden naam past al hetgeen van menstruaaltering gezegd is ook op de aanbeijentering. Er was aanbeijenvloed aanwezig en deze geraakte in wanorde of werd onderdrukt; gelijktijdig of later verschenen teekenen van longziekte; inzonderheid zou bloedspuwing, hartklopping onder de verschijnselen de bovenhand hebben; deze houden eene zekere periodiciteit enz.

§ 1121. Eene in oorsprong verschillende klierachtige soort van longtering bestaat er daarom niet, derwijl scrophelzucht en tuberkelzucht een zijn. Wil men die gevallen voor klierzieke tering uitgeven, waar andere klierzieke aandoeningen, zoo als zwellingen der hals-, der darmscheil-, der liesklieren, klierziek huiduitslag, hoofdzeer, beenuitzettingen, gewrichtsverzwering de ziekte der long voorafgegaan of met haar gelijktijdig voorhanden zijn? Tuberkelafzetting in de luchtbuisklieren, die men ook voor de eigenaardigheid der klierzieke tering heeft willen doen doorgaan, kan in elke tering voorkomen.

§ 1122. De jicht zou in de longen onder den vorm van tuberkelzucht kunnen postvatten; men wil de jichtige tering inzonderheid in gevallen van onregelmatige jicht, daar waar de zwervende jicht bij voorkeur de bovenste ledematen, de schouders aantast, waar de jichtige zwelling snel verdwijnt en terugkeert, hebben waargenomen. Karakteristiek zouden voor deze speelsoort van tering haar ontstaan op een gevorderden leeftijd, het voorafgaand en dikwijls nog vergezellend poortader- of jichtlijden, de na het verdwijnen of na ongeregeldheden der jichtaanvallen ontstaande ongemakken op de borst, aamborstigheid, hoest, bloedspuwing, etterophoesten, vochtontbindingen zijn; tevens vermindering van de pislozing of overmaat van piszuur in het bezinkend vocht, zwelling der ledematen, hartklopping, tusschenpoozen van den pols; somtijds uitwerping van longsteenen; een langzaam beloop.

Het bestaan van deze specifieke soort van longtering schijnt ons ook nog niet uitgemaakt; de uitwerping van aardachtige deeltjes of van longsteenen beslist niets; deze zamengroeisels worden somwijlen door zeer jonge individus, die vrij van alle vermoeden van jichtige vochtontmenging zijn, opgehoest en zijn ongetwijfeld geene eigenaardige tuberkelstof, maar veeleer het voortbrengsel van eene inschrompeling der tuberkels. De afzetting van overtollige aardachtige deelen in het longweefsel schijnt ons naar hetgeen wij omtrent aardachtige zamengroeisels der longen weten, veeleer het middel ter genezing dan ter verwekking van tuberkelzucht te zijn, en in plaats van eene jichtige tering op goed geloof aan zonder een stelliger bewijs aan te nemen, veroorlooven wij ons veeleer de vraag, of jicht en longtering elkander niet misschien van weerszijde uitsluiten? Uit eene mogelijke beaming dezer onbevooroordeeld voorgestelde cn even zulk een onderzoek waardige

Sluiten