Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loop alleen daar te wachten is, waar de tuberculeuse aanleg uitgeroeid, of waar slechts eene afgezonderde knobbelmassa de oorzaak van de longziekte is. In de verschijnselen kenmerkt zich de gelukkige ommekeer der ziekte door het verdwijnen van de koorts, door het afnemen en eindelijk volledig ophouden van den hoest en van de fluimlozing (eindelijk wordt er alleen zuiver luchtpijpsslijm uitgeworpen) door vermindering van de moeijelijke ademhaling, door het terugkeeren van de gezetheid en van de krachten; de doffe percussieklank op de plaats van de holte en van het verdigt longweefsel trekt zich tot op eene kleinere uitgestrektheid terug; het gorgelen verdwijnt; verdort de holte niet en blijft zij in opene verbinding met de luchtbuizen , dan blijft de borststem hoorbaar; in alle overige gevallen verdwijnt dit teeken. De pols blijft meestal lang menigvuldig, wanneer de overige verschijnselen van koorts reeds hebben opgehouden. De genezing der knobbellongtering is zeer zeldzaam; de verhalen van gelukte genezingen vereischen eene strenge kritiek en verdienen geen geloof, dan wanneer vooraf door objective kenmerken, door de teekenen uit percussie en auscultatie het werkelijk bestaan van tuberkels en holten stellig vastgesteld was. Niet alleen bij oudere schrijvers, maar ook in nieuwere werken geeft men genezene gevallen van slepende luchtbuisontsteking, van luchtbuisverwijding, van etterborst, voor genezene knobbellongtering uit. Eene andere dwaling is het, dat men de niet zeldzame tusschentijden van het blijven der tuberkelzucht op dezelfde hoogte met genezing verwart; deze stilstand kan daarvan afhangen, dat de afzetting der tuberkels in vrij lang uiteen liggende tijdperken plaats vindt, of hij kan op eenen tusschenloopenden ziekelijken toestand gegrond zijn, die de verschijnselen van tuberkelzucht tijdelijk op den achtergrond verdringt. Niet zelden maken teringen, die tamelijk langzaam verloopen waren, op eens vorderingen, zoodra eene tot dusver beslotene holte zich opent, of na eene tusschenloopende nieuwe ziekte, eene verkoudheid, eene longontsteking, eene bloedspuwing, eene maagontsteking, bij vrouwen soms in het climacterisch tijdperk.

§ 1129. Wij moeten nog een bij teringlijders volstrekt niet zeldzaam verschijnsel vermelden, dat gedeeltelijk onverklaard is, maar des te meer verdient oplettend beschouwd te worden, omdat het tot practisch gevaarlijke gevolgtrekkingen kan verleiden. Dit is de niet zeldzame opzwelling der aderen in den endeldarm en aan den aars, en het voorkomen van aarsfistels bij teringzieken. Sciiönlein wil niet dat men deze beide verschijnselen bijeen vatte. De zwelling der aderen is volgens hem het gevolg van den verhin¬

derden terugvloed des bloeds uit de bekkenaderen en zou het naderen van den doodelijken afloop voorspellen; de aarsfistels zouden daarentegen voornamelijk bij mannen voorkomen, die een zittend leven leiden. Geneest men deze fistels, dan maakt de tering dikwijls snelle voortgangen; evenzoo kan men den lijder schaden, wanneer men de aderknobbels aan den aars voor eene critische poging houdt en eene aanbeijenbloeding wil tot stand brengen. Dit onderwerp vereischt nog een nader onderzoek.

§ 1130. De doodelijke uitgang kan plotseling, hij kan ook van lieverlede en langzaam plaats grijpen. Het veelvuldigst eindigt de longtering doodelijk:

a) Door uittering; de vochtuitstortingen en koorts nemen klimmend toe; III. 2. 23

Sluiten